Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY4812

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
24-07-2006
Zaaknummer
05-3804 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen beroep kan worden ingesteld tegen het besluit tot afwijzing van betrokkene naar de functie van gerechtsauditeur-onderzoeker bij de Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3804 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 augustus 2004, 04/1146,

in het geding tussen:

appellant

en

het bestuur van de Centrale Raad van Beroep (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 14 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Bij brief van 7 januari 2004 heeft de President van de Centrale Raad van Beroep appellant medegedeeld dat is besloten hem niet in aanmerking te laten komen voor de functie van gerechtsauditeur-onderzoeker bij de Raad.

Het hiertegen door appellant ingediende bezwaarschrift is door het bestuur bij besluit van 4 februari 2004 niet-ontvankelijk verklaard.

Het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep is door de rechtbank ’s-Gravenhage bij uitspraak van 17 augustus 2004 (reg.nr. AWB 04/1146) ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Er zijn nog stukken van elke partij ontvangen. Deze zijn aan de andere partij toegestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant is verschenen. Het bestuur heeft zich met bericht daar niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover te dezer zake van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb, voor zover te dezer zake van belang, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door een ambtenaar als zodanig.

Ingevolge artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) zijn allen gelijk voor de wet en hebben zij zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert de wet ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Ingevolge artikel 25, aanhef en onder c, van het IVBPR heeft elke burger het recht en dient elke burger in de gelegenheid te worden gesteld, zonder dat het onderscheid bedoeld in artikel 2 wordt gemaakt en zonder onredelijke beperkingen, op algemene voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land.

Ingevolge artikel 2 van het IVBPR verbindt iedere Staat die partij is bij dit Verdrag zich de in dit Verdrag erkende rechten te eerbiedigen en deze aan een ieder die binnen zijn grondgebied verblijft en aan zijn rechtsmacht is onderworpen te verzekeren, zonder onderscheid van welke aard ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, welstand, geboorte of enige andere omstandigheid.

2. Tussen partijen is in geschil, of het bestuur terecht het bezwaar van appellant met toepassing van artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord en daartoe onder meer overwogen dat de afwijzing van de sollicitatie van appellant kan worden gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in deze wettelijke bepaling en de eveneens daarin vermelde uitzonderingsclausule niet op hem van toepassing is. Gelet op artikel 7:1 van de Awb is dan ook geen bezwaar mogelijk.

3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb gemaakte uitzonderingsclausule onverbindend is wegens strijd met artikel 26 en artikel 25, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2 van het IVBPR. Toepassing van deze clausule leidt volgens hem tot onderscheid in status tussen de ambtenaar wiens benoeming tot gerechtsauditeur bij de Raad past in diens loopbaan enerzijds en iemand als appellant, die als ambtenaar is aangesteld bij de gemeente IJsselstein anderzijds. Voor eerstgenoemde bestaat een beroepsmogelijkheid bij de administratieve rechter, waarbij een partij in persoon kan procederen. Appellant daarentegen is voor rechtsbescherming aangewezen op de burgerlijke rechter, waarbij een partij verplicht is om bij procureur te procederen en daarbij met kosten van rechtsbijstand wordt geconfronteerd. Voor dit onderscheid bestaat naar de mening van appellant geen rechtvaardiging.

4.1. De Raad overweegt dat in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb als wettelijke hoofdregel is neergelegd, dat de administratieve rechter niet bevoegd is te oordelen over besluiten tot benoeming of aanstelling dan wel de weigering daarvan. De uitzonderingsclausule in deze bepaling bewerkstelligt dat op deze hoofdregel alleen een uitzondering wordt gemaakt voor de ambtenaar die door dat besluit rechtstreeks in zijn belang als ambtenaar is getroffen. De rechtbank heeft, naar tussen partijen ook niet in geschil is, met juistheid geoordeeld dat de afwijzing van appellant kan worden gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb en appellant door de beslissing van het bestuur hem niet aan te stellen, niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

4.2. Daargelaten of de verdragsbepalingen waarop appellant ter ondersteuning van zijn beroep op onverbindendheid een beroep heeft gedaan, ook van toepassing zijn op verdeling van rechtsmacht tussen administratieve rechter en burgerlijke rechter, valt niet in te zien dat het onderscheid dat door appellant is gelaakt, niet gerechtvaardigd is. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb kan het zijn dat een bepaalde benoeming past in de loopbaan van een ambtenaar. Materieel is dan een bevordering aan de orde. In dat geval wordt de ambtenaar door het besluit hem niet te benoemen, rechtstreeks in zijn belang als ambtenaar getroffen. Ingevolge de Ambtenarenwet 1929 stond tegen een dergelijk besluit beroep open bij de ambtenarenrechter. Deze rechtsbeschermings- mogelijkheid is onder de Awb gehandhaafd. Niet valt in te zien dat de wet geen onderscheiden mogelijkheden voor rechtsbescherming zou mogen bieden al naar gelang een bevordering dan wel een benoeming van een ambtenaar aan de orde is.

4.3. Derhalve heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het bestuur het bezwaar van appellant terecht met toepassing van artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.A.C. Slump als voorzitter en H.G. Lubberdink en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.

(get.) D.A.C. Slump

(get.) O. C. Boute