Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY4787

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2006
Datum publicatie
24-07-2006
Zaaknummer
05-5781 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting van 10% op het AOW-pensioen: geen ingezetene in de zin van AOW gedurende een bepaalde periode. Onvoldoende is vast komen te staan dat betrokkenein die periode het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5781 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 augustus 2005, 05/399 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB),

Datum uitspraak: 29 juni 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 mei 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, terwijl de SVB zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes.

II. OVERWEGINGEN

De Raad verwijst voor een overzicht van de feiten naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is vermeld.

In dit geding worden partijen verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of de SVB terecht en op goede gronden met ingang van december 2003 appellant een AOW-pensioen heeft toegekend ter hoogte van 90% van een volledige AOW-pensioen. Het geding spitst zich met name toe op de vraag of de SVB zich in het besluit op bezwaar van 13 december 2004 terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen ingezetene in de zin van AOW is geweest gedurende de periode van 3 april 1961 tot en met 30 augustus 1966 en derhalve terecht een korting heeft toegepast van 10% op het AOW-pensioen.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

In gevolge artikel 2 van de AOW is ingezetene in de zin van deze wet degene die in Nederland woont. De vraag waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld. Naar vaste jurisprudentie is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate sprake is van juridische, economische en sociale binding van de betrokken persoon met Nederland. In sommige gevallen is één van deze bindingen zo sterk dat deze op zichzelf reeds tot ingezetenschap leidt. In andere gevallen is geen van deze bindingen op zichzelf beschouwd voldoende sterk om tot ingezetenschap te leiden, maar moet op grond van het complex van factoren toch tot ingezetenschap worden geconcludeerd. Op het moment dat aan de hand van deze criteria kan worden vastgesteld dat het middelpunt van het maatschappelijk leven in Nederland is komen te liggen, mag worden aangenomen dat de betrokken persoon zijn woonplaats in Nederland heeft.

Ondanks het feit dat appellant bij zijn pensioenaanvraag heeft aangegeven dat hij in verband met zijn studie tot en met 1963 in België heeft gewoond, heeft appellant in hoger beroep de stelling betrokken dat hij in feite zijn ingezetenschap niet verloren heeft en altijd ingezetene van Nederland is gebleven. Appellant stond weliswaar in het academisch jaar 1961-1962 ingeschreven aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, maar verbleef daar naar eigen zeggen slechts drie dagen in de week, gedurende welke tijd hij bij bevriende kunstenaars of in onbewoonbare huizen onderdak vond. Zijn domicilie heeft volgens appellant altijd gelegen bij zijn ouders in [woonplaats] die hem ook onderhielden aangezien de niet royale Belgische studiebeurs opging aan schildersmateriaal.

In het licht van vorenstaande maatstaf deelt de Raad de opvatting van appellant niet. De terzake voorhanden gegevens bieden onvoldoende aanknoppingspunten voor de conclusie dat appellant in de periode vanaf 3 april 1961 in Nederland woonde. Ook met betrekking tot de periode na zijn studie in Antwerpen heeft appellant niet door middel van enig bewijsstuk, bijvoorbeeld met betrekking tot zijn atelier aan de [adres], aannemelijk kunnen maken dat hij tot aan zijn huwelijk [in] 1966 in Nederland woonachtig was.

De Raad is derhalve van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat appellant van 3 april tot en met [in] 1966 het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland heeft gehad, op grond waarvan hij als ingezetene kan worden beschouwd.

Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuurssrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2006.

(get). N.J. van Vulpen-Grootjans

(get). R.E. Lysen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.