Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY4050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
18-07-2006
Zaaknummer
05-337 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering blijvend geheel geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid. Ongewenst gedrag dat beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/337 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 december 2004, 03/1964 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

met tevens als partij:

de Staatssecretaris van Defensie, (hierna: Staatssecretaris)

Aan het geding in hoger beroep heeft tevens de Staatssecretaris als partij deelgenomen.

Datum uitspraak: 5 juli 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Appellante is verschenen. Het Uwv en de Staatssecretaris hebben zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Onder verwijzing naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Appellante was vanaf 1 januari 1985 in dienst van het Ministerie van Defensie en werkzaam als medewerkster restaurant, laatstelijk in de [naam kazerne] te [standplaats].

Bij besluit van 31 juli 2002 van de Staatssecretaris is appellante bij wijze van disciplinaire straf op grond van artikel 100, eerste lid, sub l, van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie met ingang van 1 september 2002 ontslag verleend.

1.3. Bij besluit van 4 februari 2003 heeft het Uwv de door appellante aangevraagde WW-uitkering met ingang van

1 september 2002 blijvend geheel geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, waarin de verplichting is neergelegd dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt doordat hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

1.4. Bij het bestreden besluit van 26 augustus 2003 heeft het Uwv het besluit van 4 februari 2003 na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd.

1.5. De rechtbank heeft het door appellante ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat het Uwv ervan mocht uitgaan dat het strafontslag in rechte is komen vast te staan. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich bij het nemen van het bestreden besluit heeft gebaseerd op de inhoud van het ontslagbesluit en op van de werkgever verkregen inlichtingen. Op grond daarvan is het Uwv tot de conclusie gekomen dat appellante bij herhaling en ondanks waarschuwingen en afspraken haar verplichtingen met betrekking tot ziekmelding niet heeft nageleefd, hetgeen leidde tot onwettige afwezigheid, en dat zij zich op 27 mei 2002 zodanig onbehoorlijk heeft gedragen dat zij door de marechaussee van het kazerneterrein moest worden verwijderd. Appellante heeft het standpunt van het Uwv weliswaar betwist, maar onvoldoende onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat de feiten zich anders hebben voorgedaan dan van de kant van de werkgever is weergegeven. Derhalve gaat de rechtbank uit van de juistheid van de door het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde feiten. Naar het oordeel van de rechtbank bieden deze feiten voldoende grondslag voor de conclusie dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden.

Aangezien de rechtbank niet is gebleken van het bestaan van dringende redenen, of van verminderde verwijtbaarheid, kan het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank in rechte stand houden.

2. Ter beoordeling staat thans of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit.

2.1. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder is gesteld geen nieuwe gezichtspunten terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven.

Ook naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken onvoldoende aanknopings-punten om het standpunt van appellante te onderbouwen dat zij zich op 14 mei 2002 wel op de juiste wijze heeft ziekgemeld en dat zij zich op 27 mei 2002 niet onbehoorlijk zou hebben gedragen.

Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellante de haar verweten gedragingen op laatstgenoemde datum niet heeft ontkend.

Ook de Raad kan tot geen andere conclusie komen dan dat appellante zich verwijtbaar jegens haar werkgever heeft gedragen en dat de beëindiging van haar dienstbetrekking voorzienbaar was.

In hetgeen appellante met name ter zitting nog heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante haar werkloosheid niet in overwegende mate kan worden verweten dan wel dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van het opleggen van een maatregel.

3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een kostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.D.F. de Moor.