Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY3900

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
06-1588 AW-VV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Geen (spoedeisend) belang gelegen dat aanleiding zou moeten zijn tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1588 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

het College van bestuur van de Universiteit Utrecht

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 december 2005, 05/882 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[verzoekster]

en

het College van bestuur van de Universiteit Utrecht (hierna: College).

Datum uitspraak: 10 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoekster was van 1 januari 1999 tot 1 juli 1999, van 1 januari 2000 tot 1 juli 2000 en van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 werkzaam als [naam functie] bij de faculteit ruimtelijke wetenschappen van de Universiteit Utrecht. Bij brief van 10 januari 2003 heeft zij de Universiteit Utrecht aansprakelijk gesteld voor de schade door gezondheidsklachten als gevolg van Repetitive Strain Injuries (verder: RSI) die volgens haar zijn ontstaan door de werkzaamheden die ze tijdens de perioden dat ze voor de Universiteit Utrecht werkzaam was heeft verricht.

1.2. Bij besluit van 29 juli 2004 is geweigerd aan verzoekster een schadevergoeding te verstrekken, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van het College van bestuur van 3 maart 2005.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 december 2005 het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, en bepaald dat het College van bestuur een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft hierbij gemotiveerd overwogen dat verzoekster voldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de RSI-klachten in overwegende mate hun oorzaak vinden in de door haar bij de Universiteit Utrecht uitgevoerde werkzaamheden. Gelet hierop had het volgens de rechtbank op de weg van het College van bestuur gelegen om aan te tonen dat zij haar uit het tweede lid van artikel 2.9. van de CAO voortvloeiende verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. De rechtbank heeft tevens bepalingen gegeven over griffierecht en proceskosten.

3. Het College van bestuur heeft hoger beroep ingesteld.

4. Namens verzoekster heeft mr. T. Bogers, advocaat te Utrecht, bij schrijven van

22 februari 2006 bij de rechtbank Utrecht beroep ingesteld tegen de weigering van het College van bestuur om uitvoering te geven aan de onder 2 weergegeven uitspraak en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in de vorm van oplegging van dwangsommen. De rechtbank heeft dit beroep doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, welk college dit weer heeft doorgezonden naar deze Raad.

5. Het College van bestuur heeft ter uitvoering van deze uitspraak van de rechtbank op 3 april 2006 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij opnieuw is geweigerd tot vergoeding van schade over te gaan. Na nader onderzoek is geconcludeerd dat niet alleen in preventief opzicht en wat betreft de inrichting van de personele zorgorganisatie is voldaan aan de zorgplicht, maar ook in concreto op het gebied van de inrichting van de werkplek van verzoekster, de gestelde eisen aan werktempo en termijnen en de dagelijkse werkbegeleiding.

6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad dient in hoger beroep ook de door verzoekster aangevochten (fictieve) weigering om te beslissen met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb te worden beoordeeld. In dat kader kan ook een voorlopige voorziening worden getroffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6.2. Nadat het College van bestuur het onder 4. genoemde besluit heeft genomen is aan verzoeksters gemachtigde verzocht aan te geven waarin nog het belang en het spoedeisend karakter van het (gehandhaafde) verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen. Hierop is door mr. Bogers bij brief van 28 juni 2006 meegedeeld dat er nog steeds een spoedeisend belang bestaat, omdat er bij het nadere besluit van 3 april 2006 nog steeds niet is vastgesteld dat Burema voldeed aan de stelplicht dat ze schade leed in de uitvoering van haar werkzaamheden. Het besluit ziet slechts op de vraag of is voldaan aan de zorgplicht, terwijl de rechtbank volgens mr. Bogers ook opdracht heeft gegeven een besluit te nemen, inhoudende dat verzoekster had voldaan aan de stelplicht.

6.3. De voorzieningenrechter ziet in deze thans namens verzoekster gegeven onderbouwing van het verzoek geen enkel (spoedeisend) belang gelegen dat aanleiding zou moeten zijn tot het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft in de in geding zijnde uitspraak geoordeeld dat verzoekster het verband tussen haar klachten en de werkzaamheden in voldoende mate heeft aangetoond. Hiervan uitgaande heeft de rechtbank geoordeeld dat het College van bestuur nog diende aan te tonen dat aan de zorgplicht was voldaan. Het College van bestuur heeft daaromtrent beslist in het onder 4. beschreven nadere besluit. Van een weigering te beslissen is thans geen sprake meer. Grieven tegen het nadere besluit kunnen in de bodemprocedure aan de orde worden gesteld.

7. Gezien het vorenstaande is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond.

8. De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar 10 juli 2006, in tegenwoordigheid van F.M.S. Requisizione als griffier.

(get.) A. Beuker-Tilstra

(get.) F.M.S. Requisizione

FB/10/7