Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY3770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
04-5059 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inleidende beroep bij de rechtbank dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Brief dient als bezwaarschrift te worden doorgezonden naar het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5059 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2004, 03/3140 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze Raad van 12 november 2004, nr. 04/5558 WAO-VV, is appellantes verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar zoon [zoon]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellante heeft bij brief van 16 mei 2003 aan het Uwv verzocht om haar

WAO-uitkering over de periode van 12 april 1996 tot 30 juni 1999, die haars inziens nog niet is uitgekeerd, uit te betalen.

Het Uwv heeft daarop bij brief van 3 juli 2003 gereageerd met de mededeling dat het door appellante ingediende bezwaarschrift van 16 mei 2003 niet in behandeling zal worden genomen in verband met het feit dat over de onderhavige kwestie reeds in het jaar 2000 een bezwaarprocedure is gevoerd waarbij appellante het bezwaar ter hoorzitting heeft ingetrokken. Tevens heeft het Uwv er op gewezen dat van zijn kant reeds diverse malen uitvoerig aan appellante en haar gemachtigden is uitgelegd dat er ten aanzien van eerdergenoemde periode verrekening met een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet heeft plaatsgevonden.

Appellante is tegen de brief van het Uwv van 3 juli 2003 in beroep gegaan. De rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen. Zij heeft daartoe overwogen dat de brief van 3 juli 2003, gelet op de vorm en de inhoud, niet is gericht op enig rechtsgevolg en derhalve, nu daarbij niet meer dan informatie ter zake is neergelegd, niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In hoger beroep heeft appellante verzocht een zodanig besluit te nemen dat haar

WAO-uitkering over de periode van 12 april 1996 tot 30 juni 1999, die haars inziens nog niet is uitgekeerd, alsnog wordt uitbetaald.

De Raad heeft de vraag te beantwoorden of de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard van het beroep kennis te nemen.

Op grond van het volgende beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.

In artikel 7:1 van de Awb is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen eerst tegen dat besluit bezwaar dient te maken, behoudens in een aantal uitzonderingsgevallen. De Raad constateert dat de brief van 3 juli 2003 een eerste reactie op het verzoek van appellante van 16 mei 2003 is, waartegen niet direct beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld, maar waarop het voorschrift van artikel 7:1 van de Awb van toepassing is. Geen van de in de Awb bepaalde uitzonderingen op de hoofdregel, eerst bezwaar maken, doet zich hier voor. Zoals de Raad eerder heeft overwogen - zie onder meer zijn uitspraak van 7 maart 1996, LJN: AL0621, en de in die uitspraak vermelde uitspraak van 16 november 1995, LJN: ZB5546 - ziet de Raad, gegeven ook de centrale plaats van de bezwaarschriftenprocedure in de Awb, geen grond voor verdergaande uitzonderingen.

De aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand blijven en appellantes inleidende beroep bij de rechtbank dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Onder analoge toepassing van artikel 6:15 van de Awb, dat ingevolge artikel 6:24 van die wet in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, dient het bij de rechtbank ingediende beroepschrift, dat zich bevindt onder de bij de Raad aanwezige gedingstukken, te worden doorgezonden aan het Uwv ten einde te worden behandeld als bezwaarschrift. De Raad merkt hierbij op dat het Uwv bij de behandeling van de onderhavige zaak in aanmerking mag nemen dat het al eerder een onherroepelijke beslissing over de door appellante verzochte uitbetaling heeft gegeven.

De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en R.C Stam en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

CVG