Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY3584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
05-2148 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing uitbreiding voorziening van huishoudelijke hulp op grond van de WUV. Besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2148 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters op 3 maart 2005, kenmerk JZ/Y70/2005/0107, genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 18 mei 2006. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door B. Nachbar-Cohen, wonende te Bergen op Zoom, als haar raadsvrouwe. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, die is geboren [in] 1940, is bij besluit van verweerster van 15 februari 1995 erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Bij genoemd besluit is aan appellante onder meer een periodieke uitkering toegekend. Hierbij is aanvaard dat de bij appellante aanwezige psychische klachten en spanningshoofdpijn door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd. Bij besluit van 28 maart 1995 is aan appellante voorts op grond van artikel 20 van de Wet een vergoeding toegekend van eenmaal per week een halve dag extra huishoudelijke hulp.

Bij schrijven van 14 augustus 2004 heeft appellante bij verweerster een aanvraag ingediend voor uitbreiding van de haar toegekende vergoeding voor huishoudelijke hulp tot 12 uur per week. Deze aanvraag heeft verweerster, in overeenstemming met het advies van haar geneeskundig adviseur afgewezen bij besluit van 24 november 2004 op de grond dat in het geval van appellante uitbreiding van huishoudelijke hulp niet medisch noodzakelijk is.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Ter ondersteuning van haar bezwaar heeft zij gewezen op haar psychische gesteldheid, die dermate ernstig is dat zij in haar dagelijks functioneren voortdurend onder druk staat van haar eigen dwangmatig streven alles volgens bepaalde regels te doen verlopen met als gevolg dat zij tot niets meer komt en de zaken op zijn beloop laat, waardoor een situatie ontstaat van hevige psychische spanning, hoofdpijn en gevoelens van depressiviteit.

Verweersters geneeskundig adviseur A.J. Maas heeft op basis van de voorhanden gegevens, waaronder een telefonisch opgemaakt sociaal rapport, een rapport van onderzoek op 13 oktober 1994 verricht door de arts M. Hoornstra-Deurloo, alsmede informatie d.d. 15 september 2004 van de behandelend internist dr. W.L. Blok, geoordeeld dat geen sprake is van een zodanig ernstig psychobeeld dat dit heeft geleid tot zelfverwaarlozing of chaos in de huishouding. Een medische noodzaak voor uitbreiding van huishoudelijke hulp acht deze geneeskundig adviseur niet aanwezig. In navolging van het standpunt van haar geneeskundig adviseur heeft verweerster bij het thans bestreden besluit het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft in beroep herhaald hetgeen zij in bezwaar naar voren heeft gebracht en met name gewezen op het uit haar internering op zeer jeugdige leeftijd in Westerbork voortkomende dwangmatige en verlammende streven naar orde en regelmaat.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

De Raad stelt vast dat verweersters geneeskundig adviseur zijn oordeel omtrent de ernst van het bij appellante aanwezige psychobeeld niet heeft gebaseerd op recente omtrent dit psychobeeld verkregen medische informatie. De informatie verkregen van de internist dr. W. Blok, die schrijft dat hem geen somatische dan wel psychische beperkingen met betrekking tot het functioneren in de huishouding bekend zijn, oordeelt de Raad onvoldoende om het voornoemde oordeel van de geneeskundig adviseur te dragen, nu blijkens deze brief de behandeling in 2002 door deze arts door een doorverwijzing naar het EMC te Rotterdam van korte duur is geweest en gezien de deskundigheid van deze arts niet gericht kan zijn geweest op de psychische gesteldheid van appellante. Overigens stond aan verweersters geneeskundig adviseur bij zijn oordeelsvorming slechts het rapport van het op 13 oktober 1994 verrichte medisch onderzoek ter beschikking, waaruit blijkt dat appellante een angstige afhankelijke vrouw is die zich slechts met behulp van haar directe omgeving en soms psychiatrische interventie weet staande te houden en die zelfstandig haar psychisch functioneren in de hand probeert te houden door een strak schema van bezigheden, maar nochtans verkeert in een wankel evenwicht dat zeer snel wordt verstoord met psychische decompensatie en depressie tot gevolg. Gezien het in deze rapportage beschreven toestandsbeeld had het naar het oordeel van de Raad op de weg van verweersters geneeskundig adviseur gelegen om door middel van bij voorbeeld een eigen onderzoek zich een beeld te vormen van de actuele medische situatie van appellante. Nu dit is nagelaten is naar het oordeel van de Raad het bestreden besluit niet met de ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust daardoor in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet op een deugdelijke motivering. Dit dient te leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

De Raad ziet aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 38,28 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met in achtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 38,28, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2006.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.