Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY1969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
05-5373 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijziing aanvraag om gelijk gesteld te worden met vervolgde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5373 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Onder dagtekening 9 juni 2005, kenmerk JZ/W60/2005, heeft verweerster ten aanzien van appellant een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft appellant bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft appellant uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 mei 2006. Aldaar is appellant niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren op 20 mei 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, in april 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om - voorzover nog van belang - hem met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet gelijk te stellen met de vervolgde en hem als zodanig een periodieke uitkering toe te kennen. In dit verband heeft appellant gesteld dat, nadat zijn vader door de Japanse bezetter was geïnterneerd, hij samen met zijn moeder en de andere kinderen van het gezin werd geëvacueerd naar het binnenland van Timor, waar zij onder moeilijke en angstige omstandigheden hebben moeten leven.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 17 december 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is vastgesteld kunnen worden dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, terwijl de omstandigheden waaronder appellant de oorlogsjaren heeft doorgebracht ook niet met vervolging vergelijkbaar zijn, zodat geen aanleiding bestaat om appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen in beroep door appellant is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit, dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.

Op grond van de gedingstukken staat vast - en appellant bestrijdt dit ook niet - dat appellant tijdens de Japanse bezetting geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Ten aanzien van verweersters weigering om appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge dit artikellid kan verweerster - voor zover van toepassing - met de vervolgde gelijkstellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van deze wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat aan verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het besluit op dit punt slechts terughoudend kan toetsen.

Blijkens de gedingstukken heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat appellant niet heeft verkeerd in met vervolging vergelijkbare omstandigheden. Tot dergelijke omstandigheden pleegt verweerster te rekenen het wegvoeren van een ouder onder bijzondere, traumatiserende omstandigheden en het overlijden van een ouder tijdens krijgsgevangenschap of internering. Niet gebleken is dat de vader van appellant in zijn bijzijn in gevangenschap is weggevoerd en voorts is hij na de oorlogsjaren teruggekeerd en met zijn gezin herenigd.

De Raad kan zich met dit standpunt van verweerster verenigen. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de omstandigheden waaronder appellant de oorlogsjaren heeft doorgebracht - en die gekenmerkt werden door angst en armoede - zich in ongunstige zin hebben onderscheiden van andere tot de Nederlands-Indische bevolkingsgroep behorende personen. Het bestreden besluit kan mitsdien de hiervoor omschreven toetsing van de Raad doorstaan.

Wat betreft de door appellant aangevoerde grond dat hij aanspraken zou kunnen ontlenen aan de informatie die te vinden is in de brochure over de Wet overweegt de Raad nog het volgende. De informatie die verweerster in haar brochure verstrekt, betreft uitsluitend algemene informatie over de uitvoering van de Wet. Deze informatieverstrekking laat onverlet dat verweerster aan de hand van concrete omstandigheden zal dienen te beantwoorden of de Wet in een voorliggend geval van toepassing is. Daarom kan appellant louter op basis van die algemene informatie geen aanspraken ontlenen op voor hem gunstige toepassing van de Wet.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2006.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

24.05