Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY1780

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
05-5807 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5807 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 25 augustus 2005, kenmerk JZ/P60/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006. Daar is appellant niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, in december 1990 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan hetgeen hem is overkomen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende, zogenoemde Bersiap-periode, te weten:

tijdens de Japanse bezetting

-arrestatie en mishandeling door de Kempetai;

tijdens de Bersiap-periode

-huisuitzetting en internering door de Pemoeda’s in de Van Riebeeklaan te Soerabaja;

-het getuige zijn van moord op een Nederlandse vrouw door Pemoeda’s.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 24 maart 1992, op de grond dat niet is gebleken dat appellant getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet. Hiertoe is overwogen dat van de door appellant gestelde gebeurtenissen, buiten de eigen verklaring, geen bevestigingsgegevens zijn verkregen.

Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

Een door appellant in juni 2002 bij verweerster ingediend verzoek het hiervoor genoemde besluit te herzien, heeft verweerster afgewezen bij besluit van 11 november 2002. Ook tegen dat besluit heeft appellant niet het rechtsmiddel van bezwaar ingediend.

In maart 2005 heeft appellant zich tot verweerster gewend met het verzoek de eerder-genoemde besluiten te herzien en hem alsnog in aanmerking te brengen voor - onder meer - een periodieke uitkering.

Dat verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 25 mei 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen dat appellant bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld, die als zij destijds bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen. Deze rechterlijk toets is in dit geval te meer beperkt, aangezien het hier handelt om een tweede verzoek om herziening.

De Raad stelt voorop dat, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet, voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet. Eerst indien zodanige betrokkenheid is vastgesteld kunnen de medische gevolgen daarvan rechtens een rol spelen. Verweerster heeft bij haar besluiten over de eerdere aanvragen en ook thans in herziening terecht in de eerste plaats beoordeeld of er sprake is geweest van directe betrokkenheid van appellant bij oorlogsgeweld.

Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die aan verweerster bij de besluitvorming voor de eerste aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden de toen genomen besluiten te herzien. Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, niet gebleken.

De Raad moet vaststellen dat appellant bij het onderhavige herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald hetgeen hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere aanvraag had aangevoerd. Appellant heeft zijn herzieningsverzoek ook niet vergezeld doen gaan van - relevante - gegevens die aan verweerster bij het nemen van eerder genoemde besluiten niet bekend waren en op de onderhavige kwestie een nieuw licht werpen.

Weliswaar is in bezwaar tegen het besluit op het herzieningsverzoek een verklaring overgelegd van [de heer O.], maar aan deze verklaring kan geen gewicht worden gehecht. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat [de heer O.] niet uit eigen waarneming de betrokkenheid van appellant bij de door hem gestelde gebeurtenissen kan bevestigen al om de reden dat appellant, zoals door hem zelf is verklaard, [de heer O.] niet kent uit de periode dat hij in Soerabaja woonde.

De Raad merkt hierbij nog op dat verweerster reeds naar aanleiding van de in 1990 gedane aanvraag en ook naar aanleiding van het herzieningsverzoek van juni 2002 informatie heeft ingewonnen bij de broer en (half-)zusters van appellant maar dit niet heeft geleid tot bevestiging van de door appellant genoemde gebeurtenissen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde, terughoudende toetsing van de Raad kan doorstaan en dat het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2006.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

24.05