Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY0651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
06-07-2006
Zaaknummer
05-514 NABW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD2268
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/514 NABW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2004, 03/5769 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.P.M. van Gerven, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Voor appellant is verschenen mr. Van Gerven. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 1 mei 1996 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant samenwoont met F. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) op [het adres] te Amsterdam heeft de afdeling Sociale Recherche Amsterdam (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is de gemeentelijke basisadministratie geraadpleegd, is een huisbezoek gebracht aan de woning van [betrokkene], zijn diverse getuigen/buurtbewoners gehoord en hebben appellant en [betrokkene] verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 april 2003. De resultaten van dat onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 29 april 2003 het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2003 te beëindigen op de grond dat appellant en [betrokkene] een gezamenlijke huishouding voeren en samen een inkomen hebben dat de hoogte van de aan appellant verleende bijstand overtreft.

Bij besluit van 21 oktober 2003 heeft het College het bezwaar tegen het besluit 29 april 2003 ongegrond verklaard met dien verstande dat aan de beëindiging ten grondslag is gelegd dat appellant, door niet aan het College te melden dat hij met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding voert, de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft hij verzocht het College te veroordelen tot schadevergoeding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat de vertegenwoordiger van het College desgevraagd ter zitting heeft verklaard niet langer het standpunt te handhaven dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan worden gelaten.

De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 21 oktober 2003 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Met betrekking tot de vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 21 oktober 2003 in stand kunnen worden gelaten, overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaats gevonden van een kind van de een door de ander.

Vaststaat dat uit de relatie van appellant en [betrokkene] twee kinderen geboren zijn. Voor de beantwoording van de vraag of ten tijde hier van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding is derhalve bepalend of appellant en [betrokkene] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

Het door appellant en [betrokkene] aanhouden van verschillende woonadressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samen-woning bestaat doordat slechts een van beide woningen wordt gebruikt danwel doordat op een andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat deze situatie zich in dit geval voordoet en verwijst naar de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel is gebaseerd. Ook de Raad hecht met name betekenis aan de bevindingen tijdens het huisbezoek aan de woning van [betrokkene] en de verklaringen van bewoners in de buurt van de adressen van [betrokkene] en appellant. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant en [betrokkene] ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van [betrokkene]. Appellant moet derhalve als gehuwd worden aangemerkt. Hij kan om die reden niet worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand en had mitsdien geen recht op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Het College heeft dan ook terecht het recht op bijstand met ingang van 1 mei 2003 beëindigd, zodat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 21 oktober 2003 in stand kunnen blijven.

Gelet op vorenstaande dient het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding te worden afgewezen.

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 oktober 2003;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-- , te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

PR/170506