Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY0143

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
04-07-2006
Zaaknummer
05/6622 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering beëindigd op de grond dat betrokkene op de relevante datum in het buitenland verbleef anders dan wegens vakantie. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6622 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 oktober 2005, 05/1579 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006. Namens appellant is verschenen mr. De Witte, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1.0. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Aan appellant is ingaande 4 september 2001 een WW-uitkering toegekend. Hij is op 12 december 2002 naar Turkije vertrokken en op 3 november 2003 teruggekeerd naar Nederland. In de aangevallen uitspraak (waarin voor eiser appellant en voor verweerder het Uwv moet worden gelezen) zijn de aan de gedingstukken ontleende gegevens als volgt weergegeven:

“Naar aanleiding van een melding van de Sociale Dienst van de gemeente Leiden heeft verweerder op 5 oktober 2004 een rapport werknemersfraude opgemaakt. Blijkens dit rapport heeft eiser verklaard dat hij op 12 december 2002 is vertrokken naar Turkije, aanvankelijk voor een periode van 40 dagen. Voor zijn vertrek heeft eiser een formulier ingevuld en heeft hij zijn neef gevraagd dit formulier in te leveren bij het UWV-kantoor aan de Scheveningseweg te Den Haag. Verweerder heeft dit formulier niet ontvangen. Gedurende zijn verblijf in Turkije heeft verweerder wel ingevulde en ondertekende werkbriefjes van eiser ontvangen en aan de hand van deze werkbriefjes de WW-uitkering aan eiser uitbetaald. Tijdens eisers verblijf in Turkije heeft zijn neef in zijn woning in Nederland gewoond. Deze neef heeft ook de bankzaken van eiser behartigd. Eiser vermoedt dat zijn neef de werkbriefjes heeft ingevuld en ook de uitkering heeft geïncasseerd. Eiser heeft aangegeven dat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst en niet heeft begrepen dat hij op de werkbriefjes in rubriek 3 kon aangeven dat hij naar het buitenland vertrok. Tijdens zijn verblijf in Turkije werd eiser onderhouden door zijn familie, eiser heeft hieraan toegevoegd dat hij geen bankafschriften heeft gezien en dat deze ook niet meer beschikbaar zijn wegens zijn verhuizing.”

1.2. Bij besluit van 13 oktober 2004 heeft het Uwv het recht op WW-uitkering per 12 december 2002 beëindigd op de grond dat appellant met ingang van die datum in het buitenland verbleef anders dan wegens vakantie. Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft het Uwv de aldus onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van € 8.030,50 van appellant teruggevorderd. De tegen deze besluiten aangevoerde bezwaren zijn bij het thans bestreden besluit van 1 maart 2005 ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. De vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel omtrent het bestreden besluit beantwoordt de Raad bevestigend. Hij heeft daartoe het volgende overwogen.

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder f, van de WW heeft geen recht op uitkering de werknemer die buiten Nederland verblijft anders dan wegens vakantie. Volgens artikel 1 van de Vakantieregeling WW (Stcrt. 2003, 242) is sprake van vakantie genieten gedurende de periode waarover de werknemer verklaart vakantie te genieten, dan wel niet verklaart vakantie te genieten maar daarvan, gelet op de feitelijke omstandigheden, kennelijk sprake is.

2.3. Appellant heeft betoogd dat een deel van de periode van verblijf in Turkije, te weten het eerste deel daarvan, moet worden aangemerkt als periode waarin hij vakantie heeft genoten. Hij heeft berekend dat in verband met zijn aanspraak op vakantie met behoud van uitkering de beëindiging van de uitkering eerst na 28 januari 2003 had mogen ingaan. Het Uwv heeft bestreden dat appellant vakantie heeft genoten, reeds omdat hij dat nergens in de gedingstukken heeft aangegeven. Het Uwv is het eens met het standpunt van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van vakantie genieten geen sprake is nu appellant daarvoor geen toestemming heeft gevraagd, maar ziet daarin een ondersteuning van zijn standpunt.

2.4. De Raad kan zich vinden in het standpunt van appellant dat een mededeling van een Turkse werknemer dat hij voor familiebezoek naar Turkije gaat, veelal zal kunnen worden opgevat als een verklaring als bedoeld in artikel 1 van de Vakantieregeling WW. In het onderhavige geval kan de Raad daarvan echter niet uitgaan. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant niet alleen het woord vakantie bij geen enkele gelegenheid heeft genoemd en dat noch omtrent het door hem aangegeven familiebezoek noch over de periode daarvan een objectief gegeven voorhanden is, maar ook dat over de relevante gegevens omtrent zijn verblijf aldaar duidelijkheid totaal ontbreekt. Bovendien heeft appellant niet vooraf bij het Uwv gemeld dat hij voor familiebezoek naar Turkije ging, maar heeft hij pas achteraf verklaard dat een deel van de periode van verblijf in Turkije als vakantie moest worden aangemerkt. Het Uwv heeft dan ook naar het oordeel van de Raad terecht en op goede gronden het recht op WW-uitkering per 12 december 2002 beëindigd.

2.5. Appellant heeft ook doen stellen dat hij het niet redelijk acht dat hij de uitkering moet terug betalen nu een derde die uitkering heeft geïncasseerd. Noch daargelaten dat niet is gebleken dat appellant niet zelf die uitkering heeft geïncasseerd, wijst de Raad erop dat ingevolge artikel 36 van de WW het Uwv gehouden is het onverschuldigd betaalde terug te vorderen. Aan hetgeen appellant heeft aangevoerd, kan de Raad evenmin argumenten ontlenen voor de conclusie dat het Uwv wegens dringende redenen van gehele of gedeeltelijke terugvordering had dienen af te zien.

3.1. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

3.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. van Zoelen-Altunc als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) B. van Zoelen-Altunc.