Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX9733

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2006
Datum publicatie
03-07-2006
Zaaknummer
05-6947 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6947 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 22 juni 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 september 2005, kenmerk JZ/W/60/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2006. Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1919 in het voormalige Nederlands-Indië, in december 1994 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet. In dit verband heeft appellant gesteld dat hij als militair van het voormalig Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) tijdens de Japanse bezetting krijgsgevangenschap heeft ondergaan.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 22 augustus 1995, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gewijzigd bij besluit van 9 december 1996. Verweerster heeft in laatstgenoemd besluit overwogen dat gebleken is dat appellant van 8 maart 1942 tot 19 april 1943 vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet, doch dat hij niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet gestelde voorwaarden van nationaliteit en territorialiteit. In dit verband heeft verweerster geoordeeld dat er geen termen bestaan appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, omdat appellant niet voldoet aan de richtlijnen die verweerster in dat kader hanteert, te weten: vervolging gedurende de gehele bezettingsperiode en een in juli 1950 eindigend dienstverband bij het KNIL van tenminste 10 jaren.

Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

In januari 2005 heeft appellant zich opnieuw tot verweerster gewend met een aanvraag om hem voor een uitkering op grond van de Wet in aanmerking te brengen.

Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 12 april 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, onder overweging dat er geen relevante nieuwe gegevens zijn overgelegd die meebrengen dat het eerdere besluit in het voordeel van appellant moet worden herzien.

De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad overweegt hiertoe het volgende.

De hiervoor genoemde aanvraag van januari 2005 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening.

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, om een eerder door haar genomen besluit in het voordeel van de bij dit besluit betrokkene te herzien.

Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen.

Daarbij staat bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.

De Raad stelt, evenals verweerster vast, dat bij het onderhavige verzoek, noch in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die verweersters bij besluit van 9 december 1996 ingenomen standpunt met betrekking tot een bij appellant bestaande hechte en duurzame verbondenheid met de Nederlandse gemeenschap in het voormalige Nederlands-Indië in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om het besluit van 13 december 1996 te herzien. In dit verband wijst de Raad er nog op dat verweerster nogmaals heeft getracht het relaas van appellant uit andere - objectieve bronnen - te verifiëren, doch van gevangenschap of gedwongen tewerkstelling na zijn vrijlating als “Indonesiër” op 19 april 1943 uit krijgsgevangenschap is niet gebleken. De nieuw ingebrachte verklaring van getuige A. Pakasi voegt in dit verband niets toe aan de reeds bij verweerster bekende feiten en omstandigheden nu hieruit niet blijkt dat hij gedurende de gehele bezettings-periode met appellant is samen geweest. Ook zijn geen officiële stukken beschikbaar gekomen, waaruit blijkt van een dienstverband bij het KNIL van tenminste tien jaar.

Gezien het bovenstaande moet vastgesteld worden dat nog immer niet op grond van objectieve gegevens kan worden aanvaard dat appellant voldoet aan beide door verweerster bij toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet gehanteerde richtlijnen van vervolging tot augustus 1945 en een KNIL-diensttijd van tenminste 10 jaar.

Hetgeen hierboven is overwogen brengt mee dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde, terughoudende toetsing van de rechter kan doorstaan en dat het beroep van appellant dus niet kan slagen.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2006.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

01.06