Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX9729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2006
Datum publicatie
03-07-2006
Zaaknummer
05-7237 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding van de aanschafkosten van een speciaal bed. Onjuiste feitelijke grondslag van bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7237 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 22 juni 2006

I PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 24 november 2005, kenmerk JZ/Y70/2005, door verweerster te zijnen aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2006. Aldaar is appellant niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken is appellant vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Voor de toepassing van de Wet is aanvaard dat de psychische klachten, alsmede de hartklachten, de status na hersenbloeding en de status na thoracale wervelfractuur van appellant in het vereiste verband staan met de ondergane vervolging.

In juni 2005 heeft appellant bij verweerster een aanvraag ingediend om vergoeding van de aanschafkosten van een speciaal bed.

Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 29 juli 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, onder overweging dat deze voorziening niet medisch noodzakelijk is op grond van de uit de vervolging voortvloeiende ziekten of gebreken.

In beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat het gaat om een electrisch verstelbaar bed, mede erop gericht om hem het - vanwege zijn rugklachten bemoeilijkte - in- en uitstappen te vergemakkelijken.

In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep door appellant daartegen is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Die vraag beantwoordt de Raad op grond van de navolgende overwegingen ontkennend.

Het bestreden besluit berust ten laatste op een door de geneeskundig adviseur van verweerster, de arts R.H. Van Gorkum op 3 november 2005 uitgebracht advies.

Deze arts is bij zijn advies ervan uitgegaan dat het appellant - zoals ook in het aanvraagformulier vermeld - ging om een specifiek “hoog-laag” bed, dat wil zeggen een bed dat in zijn geheel hoger en lager kan worden ingesteld.

De Raad moet echter vaststellen dat overigens in het dossier aanwezige, aan genoemd medisch advies mede ten grondslag liggende gegevens, onder meer afkomstig van de appellant behandelend neuroloog J.G. Kok en van de behandelend psychiater A.P. de Boer, niet eenduidig uitwijzen dat het inderdaad ging om een hoog-laagbed in voormelde zin. In beroep is voorts op grond van verklaringen van appellant en namens verweerster terzake nader verricht onderzoek gebleken dat het niet om een specifiek hoog-laag bed maar om een bed met electrisch verstelbaar hoofd- en voeteneinde gaat. Dit betekent dat de medische advisering - en daarmee ook het bestreden besluit - berust op een onjuiste feitelijke grondslag. Die onjuiste feitelijke grondslag is deels aan verweerster te wijten nu, ondanks niet eenduidige informatie over de aard van de gevraagde voorziening, daarnaar voorafgaande aan het bestreden besluit geen feitelijk onderzoek is ingesteld.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit niet met de, ingevolge artikel 3:2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en daardoor, in strijd met artikel 7:12 van de Awb, berust op een ondeugdelijke motivering.

De Raad acht, ten slotte, niet gebleken van proceskosten die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat verweerster aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

24.05