Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX9646

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
29-06-2006
Zaaknummer
05-524 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toelating betrokkene tot de werkplek; Overplaatsing; Staking van de doorbetaling van de bezoldiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/524 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 november 2004, 03/2570 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J.H.M. Berndsen, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berndsen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Steenbeek, G.C. le Febre, R.P. Guldemond en G.S.L. Bertelink, allen werkzaam bij de gemeente Ede.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als medewerker van de bosbouwploeg van de afdeling [naam afdeling] van de gemeente [naam gemeente]. Op 27 mei 2002 is met appellant een gesprek gevoerd naar aanleiding van een melding van zijn direct leidinggevende Z over ongewenst gedrag van appellant. Met appellant is toen in het kader van een afkoelingsperiode afgesproken dat hij voorlopig niet op zijn werk zal verschijnen.

1.2. Op 6 juni 2002 heeft Z een klacht ingediend bij de Regionale Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen (hierna: klachtencommissie) over het ongewenste gedrag van appellant. Appellant zou haar verteld hebben over zijn seksueel geladen dromen en gedachten en zou zich fysiek opdringerig hebben gedragen. De klachtencommissie heeft na onderzoek geconcludeerd dat appellants gedrag kan worden aangemerkt als seksuele intimidatie op de werkplek en heeft het College op 6 augustus 2002 geadviseerd deze klacht gegrond te verklaren.

1.3. Bij brief van 14 augustus 2002 heeft appellant het College verzocht hem weer toe te laten tot zijn werkplek. Bij besluit van 4 september 2002 is appellant meegedeeld dat zijn afwezigheid vanaf 27 mei 2002 wordt aangemerkt als buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging en is hem vanaf 4 september 2002 de toegang tot de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen van de sector Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer (hierna: sector ROB) dan wel het verblijf aldaar ontzegd, totdat het College definitief op de ingediende klacht van Z heeft beslist.

1.4. Bij besluit van 25 maart 2003 is appellant met ingang van 1 april 2003 overgeplaatst en tewerkgesteld in de functie van medewerker wijkbeheer in de wijk Veldhuizen van de afdeling [naam afdeling] van de gemeente [naam gemeente]. In de bij dat besluit gevoegde brief van 26 maart 2003 is meegedeeld dat het College het advies van de klachtencommissie van 6 augustus 2002 heeft overgenomen en dat de verhouding met zijn leidinggevende door de gedragingen van appellant dermate is verstoord dat het niet mogelijk is dat appellant zijn werkzaamheden in de bosbouwploeg hervat.

1.5. Op 1 april 2003 heeft appellant zich ziekgemeld, omdat hij van mening was dat de functie van medewerker wijkbeheer voor hem niet passend was en hij medisch ongeschikt was voor deze functie. De bedrijfsarts heeft appellant op 8 april 2003 geschikt geacht om te werken als medewerker wijkbeheer. Appellant heeft naar aanleiding van dit oordeel van de bedrijfsarts een onafhankelijk deskundigenonderzoek aangevraagd bij het UWV.

In afwachting van de uitslag van dat deskundigenonderzoek heeft de algemeen directeur van de sector ROB appellant meegedeeld dat hij zijn werkzaamheden als medewerker wijkbeheer niet hoeft te verrichten. Bij brief van 5 juni 2003 heeft het UWV meegedeeld dat op basis van onder meer het verzekeringsgeneeskundige rapport van 21 mei 2003 is geconcludeerd dat de functie van medewerker wijkbeheer passend is voor appellant.

1.6. Vervolgens is appellant opgedragen op 23 juni 2003 de werkzaamheden in de functie van medewerker wijkbeheer te hervatten. Tevens is hem meegedeeld dat indien hij geen gehoor geeft aan deze dienstopdracht de doorbetaling van zijn bezoldiging wordt stopgezet. Omdat appellant op 23 juni 2003 niet op zijn werk is verschenen, is bij besluit van 24 juni 2003 met toepassing van artikel 7:13:2 van de Collectieve Arbeidsvoorwaar-denregeling voor de sector gemeenten en de Uitwerkingsregeling Ede (CAR/UWR) de doorbetaling van appellants bezoldiging gestaakt.

1.7. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 4 september 2002 (buitengewoon verlof en weigering toelating tot het werk), 25 maart 2003 (overplaatsing) en 24 juni 2003 (staking doorbetaling bezoldiging). Bij het bestreden besluit van 28 oktober 2003 zijn deze bezwaren ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

4. Weigering toelating tot het werk

4.1. In hoger beroep heeft appellant het geschil over het besluit van 4 september 2002 toegespitst op de vraag of het College op redelijke gronden heeft besloten appellant met toepassing van artikel 15:1:19 van de CAR/UWR per 4 september 2002 niet toe te laten tot de werkplek.

4.2. Gelet op de aard van appellants gedrag - kort samengevat hieruit bestaande dat hij zijn vrouwelijke chef lastig viel -, het feit dat een door haar ingediende klacht volgens de klachtencommissie gegrond moest worden verklaard en de onrust die als gevolg van een en ander was ontstaan in de bosbouwploeg, kon het College zich naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs op het standpunt stellen dat appellant in afwachting van nadere besluitvorming omtrent zijn rechtspositie niet toegelaten werd op zijn werkplek.

4.3. Voorzover appellant heeft betoogd dat het College ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het advies van de klachtencommissie, omdat het daaraan ten grondslag liggende onderzoek onzorgvuldig is geweest, onderschrijft de Raad dit betoog niet. Dat de klachtencommissie vooringenomen zou zijn jegens appellant is een stelling die de Raad niet bevestigd ziet in de gedingstukken. Ook overigens ziet de Raad niet dat het onderzoek van die commissie onzorgvuldig is geweest. De klacht van Z is op schrift gezet. Daarna is appellant in de gelegenheid gesteld hierop mondeling te reageren en heeft hij op het gemaakte verslag van de hoorzitting kunnen reageren. Vervolgens is hij op zijn verzoek opnieuw gehoord en heeft hij het verslag van die laatste hoorzitting zonder opmerkingen ondertekend.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit, voorzover daarbij de beslissing appellant per

4 september 2002 niet toe te laten tot zijn werkplek, is gehandhaafd op goede gronden in stand heeft gelaten.

5. Overplaatsing

5.1. Het in geding zijnde besluit tot overplaatsing is gebaseerd op artikel 15:1:10 van de CAR/UWR. Deze bepaling verplicht appellant om een andere betrekking te aanvaarden voor de vervulling waarvan hij in het belang van de dienst is aangewezen, indien deze betrekking hem redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld CRvB 13 maart 2003,

LJN AH8913, TAR 2003, 118) bestaat een overplaatsing zoals hier in geding uit twee componenten, te weten de ontheffing uit de ene betrekking en het opdragen van een andere betrekking.

5.2. Het College heeft zijn besluit om appellant uit zijn functie te ontheffen gebaseerd op de verstoorde verhouding tussen appellant en Z als gevolg van appellants gedrag.

5.3. Op grond van de stukken is ook voor de Raad voldoende duidelijk geworden dat appellant grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond jegens zijn vrouwelijke chef en dat hij zich daardoor onmogelijk heeft gemaakt. Daarbij komt dat appellant eerder, naar aanleiding van soortgelijk gedrag jegens collega’s in het verleden, door zijn leiding-gevende te kennen was gegeven dat dit gedrag niet acceptabel was. Doordat appellant - die derhalve doorgaand gedrag laat zien - geen blijk heeft gegeven van inzicht in de ernst van zijn gedragingen of van besef van de weerstand die hij oproept, kon het College in redelijkheid oordelen dat oplossing van de samenwerkingsproblemen niet snel te verwachten viel.

5.4. Appellants stelling dat de ontheffing voorbarig was omdat eerst door middel van een gesprek met Z getracht had moeten worden de werkrelatie met Z te herstellen, slaagt niet.

Blijkens de stukken was Z tot overleg met appellant niet bereid en heeft het College haar daartoe niet willen dwingen. Die opstelling acht de Raad gezien de omstandigheden niet onredelijk.

5.5. De Raad is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het College voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het dienstbelang vorderde dat appellant uit zijn functie werd ontheven. Hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad voorts niet tot het oordeel gebracht dat aan appellant gezien diens persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten de functie van medewerker wijkbeheer bij de wijk Veldhuizen redelijkerwijs niet opgedragen kon worden. Daarbij is van belang dat dit een functie is op hetzelfde schaalniveau als de functie die appellant voorheen vervulde, terwijl de functie ook wat aard en inhoud van de werkzaamheden betreft goed vergelijkbaar is. De Raad overweegt voorts dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen de functies een zodanig verschil in lichamelijke belasting bestaat dat de betrokken functie daarom redelijkerwijs niet aan appellant kon worden opgedragen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat zowel de bedrijfsarts als het UWV appellant geschikt achtte de opgedragen functie te vervullen.

5.6. De Raad onderkent dat beide functies voor wat betreft de werkomgeving van elkaar verschillen. Appellant vervulde gedurende zeer lange tijd een functie in de bossen, terwijl de werkzaamheden in de opgedragen functie in een nieuwbouwwijk verricht moeten worden. Vast staat echter dat de gemeente Ede over slechts één bosbouwploeg beschikt, waarvan Z. de voorman is, zodat het bij de gemeente Ede niet mogelijk is in een bosbouwploeg te werken zonder in contact te komen met Z.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het besluit tot overplaatsing eveneens met juistheid in stand heeft gelaten.

6. Staking van de doorbetaling van de bezoldiging

6.1. Ingevolge artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder h, van de CAR/UWR wordt de doorbetaling van de bezoldiging gestaakt indien en voorzolang de ambtenaar - kort gezegd - zijn arbeid verzuimt te hervatten, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst geldig erkende reden heeft opgegeven.

In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat doorbetaling van het loon wel plaatsvindt als de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag genoemd in het eerste lid.

6.2. Vaststaat dat appellant, hoewel het UWV hem geschikt had geacht om de functie van medewerker wijkbeheer te vervullen en hem was opgedragen om op 23 juni 2003 te komen werken, niet op die dag op zijn werk is verschenen. Nu appellant daarvoor geen door de arbo-dienst geldig erkende reden heeft opgegeven, hij tevoren is gewaarschuwd voor een mogelijke staking van de bezoldiging in geval van werkweigering en hij voorts niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem gezien zijn geestelijke toestand geen verwijt kon worden gemaakt van het niet gaan werken in zijn nieuwe functie, is ook het besluit tot staking van de doorbetaling van de bezoldiging door de rechtbank terecht in stand gelaten.

7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.