Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX9641

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
29-06-2006
Zaaknummer
04-7124 AW + 04-7296 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Straf van ontslag politiemedewerker niet onevenredig aan het gepleegde verzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7124 AW + 04/7296 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: Korpsbeheerder),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2004, 04/4784 en 04/4456 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de Korpsbeheerder

Datum uitspraak: 15 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens de Korpsbeheerder is hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. L.T.M. Bredius, advocaat te Amsterdam, eveneens hoger beroep ingesteld.

Betrokkene en de Korpsbeheerder hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2006. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Bredius en [naam echtgenoot], echtgenoot van betrokkene. De Korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Morrema, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland, laatstelijk in de functie van [naam functie].

1.2. Bij besluit van 19 april 2004 heeft de Korpsbeheerder op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie, betrokkene de straf van disciplinair ontslag opgelegd wegens het plegen van zeer ernstig plichtsverzuim.

De Korpsbeheerder heeft betrokkene verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen gebruiken van verdovende middelen (XTC en GHB), het verstrekken van verdovende middelen (XTC) aan anderen en het in het bezit hebben van verdovende middelen (GHB). Vanwege het gebruik en verstrekken van XTC en GHB wordt betrokkene tevens verweten dat zij meermalen privé contact moet hebben gehad met (hard)drugsdealers. Tot slot is betrokkene verweten het Verzuimreglement van de politieregio Amsterdam-Amstelland te hebben overtreden.

Het tegen het besluit van 19 april 2004 namens betrokkene gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 2 augustus 2004 ongegrond verklaard

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het bij huiszoeking in de toilettas gevonden buisje met een inhoud van 0,5 ml GHB door betrokkene zelf daarin is gedaan. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van het GHB-gebruik niet gezegd kon worden dat betrokkene direct of indirect contact heeft gehad met het criminele circuit. De rechtbank heeft, ondanks enigerlei mate van tegenstrijdigheid in de in het dossier bevindende verklaringen, voldoende aannemelijk geacht dat betrokkene XTC heeft gebruikt en daarmee is omgegaan, nu de betreffende verklaringen op die punten niet inconsistent zijn. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de disciplinaire straf van ontslag niet onevenredig is.

3.1. Betrokkene heeft in hoger beroep evenals in eerste aanleg ontkend dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de haar verweten gedragingen. Zij is van mening dat de Korpsbeheerder ten onrechte het bestreden besluit heeft gebaseerd op de verklaringen van haar vroegere kennis R, collega M en collega L. De verklaringen van R zijn volgens betrokkene onbetrouwbaar en inconsistent en de verklaring van M is uitsluitend een “van horen zeggen”-verklaring, terwijl de bron, collega L, ontkent gezegd te hebben hetgeen M heeft verklaard. Voorts heeft collega L ontkend tegenover medewerkers van het Bureau Interne Onderzoeken (hierna: BIO) te hebben verklaard dat betrokkene GHB heeft gebruikt. Tenslotte acht betrokkene de disciplinaire straf van ontslag onevenredig. Zij heeft in dit verband onder meer een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan.

3.2. Het hoger beroep van de Korpsbeheerder is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene zelf het buisje GHB in haar toilettas heeft gedaan. De Korpsbeheerder verwijt betrokkene dat zij dit buisje in haar bezit had en het middel heeft gebruikt. Daarbij is niet relevant of betrokkene dat buisje wel of niet zelf in haar toilettas heeft gedaan.

4. Partijen hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt voorop dat de Korpsbeheerder betrokkene niet langer verwijt dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het Verzuimreglement. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de Korpsbeheerder terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat betrokkene zich aan de overige gedragingen schuldig heeft gemaakt.

5.2. De Korpsbeheerder heeft zijn oordeel dat betrokkene XTC heeft gebruikt en aan anderen heeft verstrekt met name gebaseerd op de door R in 2001, 2003 en 2004 tegenover medewerkers van het BIO respectievelijk tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaringen. Met betrokkene constateert de Raad evenwel dat deze verklaringen van R omtrent het gebruik, bezit en verstrekken van XTC en GHB door betrokkene onderlinge verschillen vertonen en op diverse niet onbelangrijke punten tegenstrijdigheden opleveren. Gelet op betrokkenes ontkenning had de Korpsbeheerder, naar het oordeel van de Raad, aan de op diverse punten uiteenlopende verklaringen van R zonder nadere bevestiging door andere feiten of omstandigheden met betrekking tot in ieder geval het gebruik en verstrekken van XTC niet die betekenis mogen hechten die de Korpsbeheerder daaraan heeft gehecht. Dit klemt te meer, nu uit de zich in het dossier bevindende verklaringen van R’ s buurvrouw, een vriendin, haar leidinggevende, haar behandelend psychotherapeute en de inspecteur van de politieregio Amsterdam-Amstelland die R in 2001 heeft verhoord blijkt dat R ook in het verleden onbetrouwbare verklaringen heeft afgelegd.

5.3. Dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van GHB blijkt naar het oordeel van de Raad uit de verklaring die collega L op 21 mei 2003 tegenover een medewerker van het BIO heeft afgelegd. Hoewel L die verklaring op een later moment heeft tegengesproken, heeft de Raad onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de geloofwaardigheid van deze verklaring van L op 21 mei 2003. L heeft namelijk deze verklaring afgelegd nadat hij na eerdere verhoren, waarin hij had ontkend dat betrokkene GHB had gebruikt, met zijn advocaat overleg had gehad en had aangegeven dat hij de medewerkers van het BIO iets wilde vertellen. Nadat vervolgens zijn verklaring op schrift was gezet en L de verklaring had doorgelezen heeft hij deze ondertekend.

5.4. De Raad ziet voorts in de verklaring van M, voormalig vriendin van L en collega van betrokkene, een bevestiging dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan GHB- gebruik. Uit die verklaring blijkt immers dat zij van L heeft vernomen dat betrokkene GHB heeft gebruikt. Weliswaar is deze verklaring van M over het gebruik van GHB door betrokkene niet gebaseerd op eigen waarneming, maar op hetgeen zij van L heeft gehoord, maar dat betekent naar het oordeel van de Raad niet dat daarom aan deze verklaring geen betekenis kan worden toegekend. Dat L niet met M zou hebben gesproken over het gebruik van GHB door betrokkene, zoals later door L is verklaard, acht de Raad niet geloofwaardig gezien zijn de hiervoor in 5.3. aangehaalde verklaring van 21 mei 2003 omtrent dit gebruik.

5.5. De bij huiszoeking in de woning van betrokkene in haar toilettas gedane vondst van een buisje met 0,5 ml GHB verstrekt nog in belangrijke mate de geloofwaardigheid van de hiervoor onder 5.3. en 5.4. genoemde verklaringen omtrent het GHB-gebruik door betrokkene. Anders dan de rechtbank acht de Raad met betrekking tot het in bezit hebben van het buisje GHB niet van betekenis dat niet met volledige zekerheid vaststaat dat betrokkene zelf het buisje in haar toilettas heeft gedaan. Voor haar stelling dat dit buisje niet haar eigendom is heeft betrokkene, mede gezien de omvang van het buisje en het toilettasje, onvoldoende concreet bewijs aangedragen.

5.6. Gezien hetgeen is overwogen in 5.2. is de Raad van oordeel dat niet is komen vast te staan dat betrokkene XTC heeft gebruikt en verstrekt aan anderen. Dat betrokkene privé-contacten heeft onderhouden met drugsdealers acht de Raad ook niet aannemelijk gemaakt. Inzoverre is dan ook geen sprake van plichtsverzuim. Voor de Raad is gezien 5.3., 5.4. en 5.5. wel voldoende aannemelijk geworden dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het in bezit hebben en gebruiken van GHB. De Raad is van oordeel dat de Korpsbeheerder terecht deze gedragingen heeft aangemerkt als plichtsverzuim. Nu voorts niet is gebleken dat de gedragingen niet ten volle aan betrokkene kunnen worden toegerekend was de Korpsbeheerder bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

5.7. De Raad acht de opgelegde straf van ontslag, welke straf de Korpsbeheerder ook aangewezen acht voor het plichtsverzuim dat wel is komen vast te staan, niet onevenredig aan het gepleegde verzuim. De langdurige en goede staat van dienst van betrokkene doet niet af aan het feit dat zij heeft gehandeld in strijd met de in het politiekorps geldende strenge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid. Gezien de aard en ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van betrokkene binnen de politiedienst heeft betrokkene er blijk van gegeven zich onvoldoende bewust te zijn van de grenzen die uit de aard van haar functie voortvloeien.

5.8. Betrokkene heeft in dit verband nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Uit de gedingstukken is de Raad gebleken dat collega M in tegenstelling tot betrokkene tegenover haar leidinggevende min of meer spontaan een bekentenis heeft afgelegd over gebruik van XTC dat tot twee keer beperkt is gebleven. Kennelijk was dit gebaar voor de Korpsbeheerder aanleiding om voor een lichtere straf dan ontslag te kiezen. Appellante daarentegen heeft de haar verweten gedragingen steeds ontkend. Voorts stelt de Raad vast dat collega en echtgenoot Eler in een andere politieregio werkzaam was dan betrokkene, zodat de Korpsbeheerder geen bevoegdheid toekomt omtrent zijn rechtspositie te beslissen. Nu geen sprake is van rechtens relevante vergelijkbare gevallen is de Raad dan ook van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel geen doel treft.

6. Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.