Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX9564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
29-06-2006
Zaaknummer
05-1928 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1928 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 december 2004, 03/884, 03/948 en 03/949 AW, op het hoger beroep van verzoekster tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 2 januari 2003, 01/110, 01/335 en 01/761,

in de gedingen tussen:

verzoekster

en

de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Groningen (hierna: AZG)

Datum uitspraak: 15 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 december 2004.

Het AZG heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is aan de orde gesteld ter zitting van 11 mei 2006. Verzoekster en het AZG zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Bij de uitspraak van 2 december 2004 heeft de Raad geoordeeld over een drietal besluiten van het AZG. Het besluit van het AZG van 14 december 2000, waarbij het AZG zijn besluit om verzoekster aan te merken als herplaatsingskandidaat met voorrangstatus heeft gehandhaafd, is door de Raad vernietigd en het bezwaar van verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard. Het besluit van het AZG van 23 juli 2001, waarbij het AZG een weigering om verzoeksters functie te waarderen heeft gehandhaafd, alsmede het besluit van het AZG van 3 april 2001, waarbij het AZG zijn besluit tot het verlenen van ontslag wegens opheffing van haar functie aan verzoekster heeft gehandhaafd, hebben volgens het door de Raad in genoemde uitspraak gegeven oordeel in rechte stand kunnen houden.

3. Verzoekster heeft aan haar verzoek in het bijzonder ten grondslag gelegd dat de Raad bij de beoordeling van de zorgvuldigheid van het door het AZG gehouden herplaatsings-onderzoek ten onrechte heeft aangenomen dat een tweetal functies, die door verzoekster niet zijn geaccepteerd, soortgelijk waren aan de door haar vervulde functie. Volgens verzoekster was er geen sprake van niet accepteren van deze functies, maar waren deze niet passend. Verzoekster meent dat de Raad wellicht tot een andere uitspraak zou zijn gekomen, indien het AZG meer stukken en informatie aan de Raad ter beschikking zou hebben gesteld. Voorts verzoekt zij een aantal fouten en onjuistheden in de overwegingen van de Raad te rectificeren.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als onder 1. bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

4.2. De Raad stelt vast dat hetgeen verzoekster in haar verzoekschrift heeft aangevoerd in wezen reeds in het hoger beroep van verzoekster aan de orde is gesteld of door verzoekster aan de orde had kunnen worden gesteld. Nieuwe feiten of omstandigheden, die aan verzoekster vóór de uitspraak van 2 december 2004 niet bekend waren of konden zijn, maar die haar daarna bekend zijn geworden, zijn door haar niet naar voren gebracht. Indien verzoekster van oordeel is dat de Raad over onvoldoende informatie beschikte, dan had dat bij de behandeling van het hoger beroep aan de orde gesteld kunnen worden.

De enkele omstandigheid dat verzoekster zich niet kan verenigen met hetgeen de Raad in de uitspraak van 2 december 2004 heeft overwogen en beslist, kan, zoals hiervoor is aangegeven, geen grond vormen voor de door haar gevraagde herziening.

4.3. Voor wat betreft de door verzoekster gesignaleerde onjuiste vermelding in de uitspraak van de datum, waarop haar aanmelding als herplaatsingskandidaat heeft plaatsgevonden, 30 mei 1999 in plaats van 30 mei 2000, stelt de Raad vast dat sprake is van een kennelijke schrijffout. Evenmin als de omstandigheid dat ’s Raads uitspraak aanvankelijk abusievelijk niet geanonimiseerd is gepubliceerd, hetgeen overigens inmiddels is hersteld, kan dit leiden tot herziening van de uitspraak.

4.4. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd niet voldoet aan de in

artikel 8:88, eerste lid, van de Awb neergelegde vereisten, zodat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.