Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX9285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
23-06-2006
Zaaknummer
06/2477 WWB-VV + 06/2478 WWB-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door het College is aangevoerd geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2477 WWB-VV

06/2478 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld

(hierna: College),

in verband met het hoger beroep van:

het College

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 13 maart 2006, 05/664

hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

het College

en

[betrokkenen], beiden wonende te [woonplaats], ( hierna: betrokkenen)

Datum uitspraak: 21 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Het College heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het College heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Betrokkenen hebben op 22 oktober 2004 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB ) ingediend. Bij besluit van 31 december 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

31 december 2004 ongegrond verklaard.

Aan zijn besluitvorming heeft het College ten grondslag gelegd dat de aanvraag van betrokkenen om gezinsbijstand dient te worden beoordeeld op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) gelet op het (onbetwiste) gegeven dat [betrokkene 1] als zelfstandige in de zin van het Bbz moet worden aangemerkt. Het College is van oordeel dat [betrokkene 2] in deze omstandigheid geen (zelfstandig) recht heeft op bijstand op grond van de WWB.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten- het beroep tegen het besluit van 5 juli 2005 gegrond verklaard, dat besluit wegens het ontbreken van een deugelijke motivering en een onvoldoende zorgvuldige voorbereiding vernietigd en bepaald dat het College met inachtneming van die uitspraak binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar neemt. De rechtbank heeft daarbij - samengevat weergegeven - geoordeeld dat het College ten onrechte heeft nagelaten te beoordelen of [betrokkene 2] recht heeft op bijstand op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande waarbij, ter bepaling van de hoogte van dit recht, het inkomen van

[betrokkene 1] uit haar zelfstandige werkzaamheden betrokken kan worden.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN: AO0764, de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

In het verzoekschrift heeft het College aangevoerd dat het belang bij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarin is gelegen dat het College ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bijstand dient te verstrekken nu het beroep geen schorsende werking heeft.

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door het College is aangevoerd geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

Nog daargelaten de vraag of het College ter uitvoering van de aangevallen uitspraak zonder meer is gehouden bijstand te verstrekken, is niet gebleken dat of waarom het College geen uitvoering zou kunnen geven aan de aangevallen uitspraak. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor het College zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is dan ook kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder toepassing van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

160606