Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX9143

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2006
Datum publicatie
22-06-2006
Zaaknummer
05-4843 WSFBSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering naar norm thuiswonende of uitwonende student? Hoofdverblijf. Gemeentelijke Basisadministratie. Onderhuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4843 WSFBSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2005, 04/737 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep),

Datum uitspraak: 9 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G.W.M. de Kok, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand Gezondheidszorg, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2006.

Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. De Kok.

De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema.

II. OVERWEGINGEN

Bij formulier van 23 december 2003 heeft appellante aan de IB-Groep opgegeven dat zij vanaf 27 december 2003 niet meer bij haar ouders woont.

Hierop is aan appellante bij besluit van 16 januari 2004 met ingang van 1 januari 2004 voor haar opleiding studiefinanciering toegekend naar de norm voor een uitwonende studerende.

Bij schrijven gedagtekend 13 februari 2004 is door de IB-Groep aan appellante bekendgemaakt dat bij controle is gebleken dat het woonadres dat appellante doorgegeven heeft aan de IB-Groep in de maand januari 2004 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) is ingeschreven. Aangegeven is daarbij dat, indien appellante haar (nieuwe) woonadres nog niet heeft doorgegeven aan de gemeente, dit binnen vier weken alsnog moet gebeuren. Verder is aangegeven dat, indien het woonadres dat aan de IB-Groep is doorgegeven niet (meer) juist is, appellante dat ook alsnog binnen vier weken door moet geven. Appellante is gewaarschuwd dat, indien zij de afwijking van het aan de IB-Groep opgegeven woonadres van het adres waarop zij in de GBA ingeschreven staat niet binnen vier weken ongedaan maakt, de IB-Groep de aan appellante toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van januari 2004 omzet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

Vervolgens heeft de IB-Groep bij besluit van 16 april 2004 de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van januari 2004 omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Overwogen is daartoe dat het woonadres dat appellante aan de IB-Groep heeft opgegeven afwijkt van het adres waarop appellante in de GBA ingeschreven staat en dat appellante heeft verzuimd deze afwijking ongedaan te laten maken.

Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 juni 2004 (hierna: bestreden besluit) door de IB-Groep onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het feit dat de verhuurder geen (onder)huurovereenkomst met appellante wil aangaan en deswege geen toestemming wil verlenen voor inschrijving in de GBA voor rekening en risico van appellante dient te komen. De rechtbank heeft daartoe verwezen naar de Memorie van Toelichting bij de WSF 2000.

In hoger beroep is hiertegen door appellante aangevoerd dat sprake is van een situatie waarin haar van de gebleken afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Appellante heeft aangegeven dat zij vrijwel onmiddellijk na ontvangst van de brief van 13 februari 2004 contact heeft opgenomen met de GBA. De houder van de GBA te Rotterdam, deelgemeente Delfshaven, heeft echter geweigerd haar in te schrijven aan het adres [adres] op de grond dat zij geen huurcontract met de Stichting Stadswonen kon overleggen.

Voorts heeft zij aangevoerd, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden, dat artikel 1.5, tweede lid, Wsf 2000 in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

De Raad overweegt als volgt.

Uitwonende studerenden kunnen in aanmerking komen voor een hoger bedrag aan studiefinanciering dan thuiswonende studerenden.

Ingevolge de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de WSF 2000 wordt onder een thuiswonende studerende verstaan een ‘studerende die woont op het adres van zijn ouders of van een van hen’ en onder uitwonende studerende een ‘studerende die niet een thuiswonende studerende is’.

De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante vanaf januari 2004 haar hoofdverblijf had aan het adres [adres] te [woonplaats] en een uitwonende studerende was in vorenbedoelde zin.

Bij Wet van 13 december 2000, houdende wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene (Stb. 2001, 67), is de regeling inzake het recht op studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende gewijzigd. Ingevolge deze wet luidt artikel 1.5 van de WSF 2000 vanaf 1 januari 2002 als volgt:

“1. Indien bij controle door de IB-Groep blijkt dat het door de studerende verstrekte adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, maakt de IB-Groep dit aan hem bekend en stelt hem in de gelegenheid de afwijking te herstellen.

2. Indien een uitwonende studerende de afwijking niet binnen 4 weken na de bekendmaking herstelt, wordt met ingang van de maand waarin de afwijking is ontstaan, de aan hem toegekende beurs omgezet in een beurs voor een thuiswonende studerende, tenzij hem van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

3. Indien een uitwonende studerende de afwijking na de termijn van 4 weken alsnog herstelt, wordt met ingang van de maand daaropvolgend de beurs voor een thuiswonende studerende omgezet in een beurs voor een uitwonende studerende.”

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante van de afwijking redelijkerwijs een verwijt kan worden gemaakt. Voor de beantwoording van die vraag is met name van belang of appellante zich die inspanningen heeft getroost om zich te (kunnen) laten inschrijven in de GBA die redelijkerwijs van haar gevergd konden worden. Ter zake overweegt de Raad allereerst dat appellante de onderhuur niet bij de Stichting Stadswonen heeft aangevraagd. Op grond van de door appellante in beroep overgelegde folder “Stadswonen en onderhuur” moet onderhuur schriftelijk worden aangevraagd tenminste anderhalve maand voor de ingangsdatum van de onderhuurperiode. Weliswaar wordt met de onderhuurder geen (onder)huurovereenkomst aangegaan, maar dat betekent niet dat appellante de regels voor onderhuur niet in acht hoeft te nemen. Nu niet gesteld of gebleken is dat appellante deze aanvraag heeft gedaan, kan niet gezegd worden dat zij voldoende moeite heeft gedaan. Immers, niet valt uit te sluiten dat de GBA haar wel zou hebben ingeschreven als zij (tijdig) de onderhuur bij Stichting Stadswonen had aangevraagd. De brief van de deelgemeente Delfshaven van 28 juli 2004 maakt dit niet anders nu daarin geen expliciet standpunt wordt ingenomen ten aanzien van een eventuele onderhuuraanvraag. In de tweede plaats overweegt de Raad dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich eerder dan 11 maart 2004, aan het eind van de haar door de IB-Groep gegeven termijn, bij de GBA heeft gemeld. Als zij zich eerder had gemeld, had zij meer mogelijkheden gehad om te proberen alsnog met de GBA tot een vergelijk te komen.

Nu appellante er niet in is geslaagd aan te tonen al hetgeen redelijkerwijs van haar gevergd kon worden te hebben gedaan, kan niet worden gezegd dat haar van de ontstane afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Met betrekking tot de grief van appellante dat artikel 1.5, tweede lid, Wsf 2000 in strijd is met artikel 6 EVRM, overweegt de Raad dat hij in zijn uitspraken van 2 december 2005 heeft vastgesteld dat het buiten toepassing laten van artikel 1.5 Wsf 2000 wegens strijd met artikel 6 EVRM niet aan de orde is (LJN-nummer AU 7521; AB 2006, 37). De Raad volstaat hier met een verwijzing naar die uitspraken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

Gw