Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX9132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
22-06-2006
Zaaknummer
04-5605 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen medische indicatie voor een handbewogen rolstoel en een spoel- en drooginrichting voor het toilet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5605 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 augustus 2004, 03/2241 en 03/2242 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.F.T. de Bruyn hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. R.A.J. Wilbers, werkzaam bij de gemeente Helmond. Appellante is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft het College verzocht haar in aanmerking te brengen voor een handbewogen rolstoel en een spoel- en drooginrichting voor het toilet.

Bij afzonderlijke besluiten van 24 oktober 2002 heeft het College deze aanvragen, overeenkomstig het medisch advies van 18 september 2002 van C.P.J.M. Lieberwirth, arts van het WVG-adviesteam Blixembosch, afgewezen op de grond dat er geen medische indicatie voor de gevraagde voorzieningen is.

Het College heeft de tegen de besluiten van 24 oktober 2002 ingediende bezwaren bij afzonderlijke besluiten op bezwaar van 16 juli 2003 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College zich gebaseerd op een medisch advies van 7 maart 2003 van P.W.A. Multjens, revalidatiearts van het Medisch Centrum voor Noord-Limburg.

De tegen de besluiten van 16 juli 2003 ingestelde beroepen heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer als volgt overwogen (waarbij appellante als eiseres en het College als verweerder is aangeduid):

“Beide adviezen concluderen dat er geen medische indicatie bestaat voor de gevraagde woonvoorziening noch voor de gevraagde rolstoel. De revalidatiearts Multjens, welke in het kader van de bezwaarprocedure om advies is gevraagd, is tot deze conclusie gekomen na een anamnese, lichamelijk onderzoek alsmede aanvullend onderzoek bestaande uit röntgenfoto’s. Tevens stonden hem medische gegevens van het Jan van Breemen-instituut te Amsterdam d.d. 3 augustus 1997 ter beschikking. Op basis van deze informatie bevestigt de revalidatiearts de conclusie van de eerste adviseur en stelt dat er geen medische indicatie bestaat voor de gevraagde woonvoorziening omdat eiseres voldoende bereik aan beide handen heeft om de intieme hygiëne te verrichten. Met betrekking tot de handbogen rolstoel overweegt de revalidatiearts dat gezien de geringe artrotische afwijkingen, normale kracht in de benen, normale bewegingsuitslagen van de gewrichten van de onderste extremiteiten en de toch redelijke loopafstand (600 meter) op goede dagen, er geen medische indicatie bestaat voor verstrekking. Daarmee wordt eveneens de conclusie van de eerste adviseur bevestigd.

De rechtbank ziet geen grond deze medische adviezen voor onjuist te houden. Met name de vanwege eiseres ingezonden brief van de behandelend reumatoloog J.S. Koops-Korbee, gedateerd 15 maart 2004, noopt geenszins tot de conclusie dat er wel sprake zou zijn van een medische noodzaak voor de gevraagde voorzieningen.”.

Evenals de rechtbank en op gelijke gronden is de Raad tot het oordeel gekomen dat het College de aanvragen van appellante terecht en op goede gronden heeft afgewezen. Ook de Raad ziet geen grond om de medische adviezen voor onjuist te houden. Hetgeen - bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - namens appellante in hoger beroep is aangevoerd geeft de Raad geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Het ingestelde hoger beroep treft derhalve geen doel.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.