Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX9131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
22-06-2006
Zaaknummer
04-3095 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Herhaalde aanvraag. Geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3095 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2004, 03/2036 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 13 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Prinsen, advocaat te Maassluis, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 19 december 2002 is afgewezen een verzoek van appellant om herziening van een eerder besluit van

15 januari 2002, waarbij appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van

12 maart 2001 is herzien van een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij besluit van 28 mei 2003, verder: het bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er in dit geval geen sprake is geweest van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het Uwv terecht heeft geweigerd het besluit van

15 januari 2002 te herzien.

In hoger beroep heeft appellant zijn stellingen goeddeels herhaald.

De Raad moet de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Met de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat er in casu geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor bedoeld.

Hetgeen namens appellant is aangevoerd betreft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden maar veeleer gegevens en argumenten die appellant heel goed naar voren had kunnen brengen in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 15 januari 2002, welke procedure is geƫindigd met een niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding.

Artikel 4:6 van de Awb is niet geschreven om een aldus geƫindigde procedure met negatie van de overschrijding van de bezwaartermijn nog eens over te doen.

Het Uwv was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 15 januari 2002. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.