Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX9005

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
05-5334 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Verzwegen inkomsten uit arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5334 NABW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2005, 04/4198

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

(hierna: College).

Datum uitspraak: 20 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Meeuwsen, advocaat te Gorinchem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meeuwsen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

B. Bos, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving ten tijde in geding een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst dat appellant in 2001 werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen, heeft gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van

20 februari 2004, is looninformatie ontvangen van V.o.f. Breka te Beverwijk.

Bij besluit van 3 oktober 2003 heeft het College vervolgens het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2001 tot en met 28 februari 2001 ingetrokken en over de periode van 1 maart 2001 tot en met 16 maart 2001 herzien op de grond dat aan appellant tot een te hoog bedrag bijstand is verleend doordat hij bij het College geen melding heeft gemaakt van de door hem verrichte werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten. Tevens heeft het College de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.170,68 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2004 ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen:

“Bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 23 februari 2005, JWWB 2005/175, is overwogen dat in een geval als het onderhavige waarbij uit de gegevens van de Belastingdienst in combinatie met de door de werkgever verstrekte looninformatie naar voren komt dat de betrokkene in de betreffende periode heeft gewerkt voor die werkgever, het aan de betrokkene is om aan te tonen althans aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd.

Op verzoek van verweerder heeft Breka op 24 juni 2003 een inkomstenverklaring ingevuld waaruit blijkt dat eiser in de periode 1 januari 2001 tot en met 16 maart 2001 werkzaam was voor Breka als schoonmaker. Bij brief van 14 mei 2004 heeft de belastingdienst op verzoek van verweerder gegevens verstrekt waaruit blijkt dat eiser in 2001 van Breka loon heeft ontvangen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd is onvoldoende om de juistheid van de verstrekte gegevens in twijfel te trekken. De enkele omstandigheid dat op het formulier door Breka een oud woonadres van eiser is ingevuld, is onvoldoende ter betwisting van de juistheid van de inkomensgegevens. Voorts heeft eiser de stellingen dat Breka geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek om loonstroken en werkbriefjes te verstrekken, en dat de gegevens van de Belastingdienst op malafide wijze zijn ontstaan, niet met stukken onderbouwd. De rechtbank kan daaraan dan ook niet de waarde toekennen die eiser daaraan gehecht wenst te zien. De opleiding die eiser in de betreffende periode heeft gevolgd, vergde zes uren per dag, gedurende vier dagen per week. Naar het oordeel van de rechtbank staat het volgen van die opleiding niet in de weg aan het uitvoeren van schoonmaakwerk gedurende 5 uur per dag in diezelfde periode. De brief die eiser heeft ingebracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 5 juni 2001 is in het onderhavige geschil niet relevant, nu deze ziet op een periode na 16 maart 2001.”

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hij voegt daaraan nog toe dat niet is gebleken dat appellant V.o.f. Breka in dan wel buiten rechte heeft aangesproken omtrent de verstrekte loongegevens en/of dat op basis daarvan alsnog loonbetaling is gevorderd. Evenmin is gebleken dat appellant omtrent het gestelde misbruik van zijn sofinummer aangifte heeft gedaan bij de politie.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) L. Jörg.

BKH 310506