Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
19-06-2006
Zaaknummer
04-6820 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

RSI, schadevergoeding, causaal verband, bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/139 met annotatie van K. Festen-Hoff
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6820 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 november 2004, 03/2227 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het bestuur van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Utrecht en Omstreken (hierna: Kamer van Koophandel)

Datum uitspraak: 8 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.C. Coppens, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Namens de Kamer van Koophandel heeft mr. L.S. van Loon, advocaat te 's-Hertogenbosch, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006. Appellante is verschenen met bijstand van mr. Coppens. De Kamer van Koophandel heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Loon.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is per 2 mei 1991 bij de Kamer van Koophandel in dienst getreden als medewerker telefonische inzage. Met ingang van 2 mei 1992 is zij aangesteld als administratief medewerker handelsregister in vaste dienst. Na een reorganisatie in 1998 is zij de functie van medewerker afdeling wetsuitvoering gaan vervullen.

1.2. Op 15 maart 1999 is appellante wegens ziekte uitgevallen. Daarna heeft zij nog tot medio oktober 1999 in beperkte mate werkzaamheden verricht. Met ingang van 13 maart 2000 is haar een WAO-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100. Vanaf 13 februari 2002 is dit percentage teruggebracht tot 35-45.

1.3. Bij besluit van 20 maart 2002, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juni 2002, is aan appellante met toepassing van artikel 60 van het Basisreglement Kamers van Koophandel en Fabrieken (hierna: Basisreglement) per 1 april 2002 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte. Tegen dit ontslag heeft appellante verder geen rechtsmiddelen ingesteld.

1.4. Bij brief van 6 maart 2002 heeft appellante de Kamer van Koophandel aansprakelijk gesteld voor de schade voortvloeiende uit door haar tijdens het uitvoeren van haar beroepswerkzaamheden opgelopen letsel. Zij doelde daarmee op hand-, arm-, en schouderklachten, door haar aangeduid als Repetitive Strain Injury (RSI), die zij als gevolg van beeldschermwerk zou hebben opgelopen. Bij brief van 8 juli 2002 heeft de algemeen directeur van de Kamer van Koophandel appellante meegedeeld voor enige vergoeding van de gestelde schade geen grond aanwezig te achten. Bij brief van 30 juli 2002 heeft appellante hierop geantwoord en onder meer aangekondigd dat zij na ontvangst van alle medische stukken genoegzaam aannemelijk zou maken dat de schade is ontstaan in de uitoefening van de beroepsmatige werkzaamheden. Op 1 oktober 2002 heeft zij haar stellingen nader onderbouwd. Bij brief van 1 november 2002 heeft de algemeen directeur opnieuw te kennen gegeven dat erkenning van aansprakelijkheid niet aan de orde kan zijn en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hiertegen heeft appellante op 5 november 2002 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 mei 2003 (hierna: bestreden besluit) is dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

2. De bevoegdheid om te besluiten.

2.1. De Raad overweegt ambtshalve dat in het overgelegde Bevoegdhedenstatuut Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Utrecht en Omstreken (hierna: Bevoegdhedenstatuut) niet uitdrukkelijk is geregeld bij welk (bestuurs)orgaan van de Kamer van Koophandel de bevoegdheid berust om te beslissen op verzoeken om een schadebesluit zoals hier aan de orde. Ook anderszins is van een uitdrukkelijk voorschrift dienaangaande niet kunnen blijken. In lijn met eerdere jurisprudentie is de Raad van oordeel dat onder die omstandig-heden als het bevoegde bestuursorgaan moet worden aangemerkt het orgaan dat bevoegd is in aangelegenheden betreffende aanstelling, ontslag en andere belangrijke onderdelen van de rechtspositie van appellante (zie CRvB 28 mei 1998, TAR 1998, 132, alsmede CRvB 7 november 2002, 00/4207 AW).

2.2. Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bevoegdhedenstatuut is het benoemen en ontslaan van de algemeen directeur voorbehouden aan het algemeen bestuur. In artikel 2, derde lid, aanhef en onder e, is de bevoegdheid tot het benoemen en ontslaan van de business unit-directeuren en de controller voorbehouden aan het dagelijks bestuur. In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, is het namens de Kamer van Koophandel aangaan en ontbinden van arbeidsovereenkomsten met medewerkers, niet zijnde business unit-directeuren of de controller, voorbehouden aan de algemeen directeur.

2.3. Blijkens de begripsomschrijving in artikel 1, aanhef en onder 11, van het Basisreglement wordt onder medewerker mede verstaan diegeen die - zoals appellante - als ambtenaar is aangesteld.

2.4. Het vorenstaande betekent dat de algemeen directeur zich terecht bevoegd heeft geacht te beslissen op het verzoek om schadevergoeding en op het tegen die beslissing gerichte bezwaar van appellante. Onder het "Bestuur" van de Kamer van Koophandel, zoals dit in de aangevallen uitspraak is aangemerkt als verwerende partij, dient hier te worden verstaan: de algemeen directeur.

3. De ontvankelijkheid van het bezwaar.

3.1. Eveneens ambtshalve overweegt de Raad dat reeds de brief van 8 juli 2002 strekte tot weigering van de gevraagde schadevergoeding. Deze weigering was stellig en onvoor-waardelijk geformuleerd. Voorzover zij berustte op publiekrechtelijke grondslag en dus was aan te merken als een (zuiver schade-)besluit, had reeds de brief van appellante van 30 juli 2002 moeten worden opgevat als een tegen dit besluit gericht - en tijdig ingediend - bezwaarschrift. Daarom kan worden voorbijgaan aan de vraag of de brief van 1 november 2002 was gericht op enig rechtsgevolg, dan wel dit rechtsgevolg reeds door de brief van 8 juli 2002 was teweeggebracht.

4. De gehandhaafde weigering van schadevergoeding.

4.1. De Raad heeft in inmiddels vaste jurisprudentie als norm geformuleerd dat de (gewezen) ambtenaar - voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit de van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften - recht heeft op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar (onder meer CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072, TAR 2000, 112).

4.2. In de bewoordingen "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" is tot uitdrukking gebracht dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade causaal verband moet bestaan. De Raad acht een dergelijk verband eerst aanwezig indien er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de werkzaamheden en/of de werkomstandigheden van de betrokken ambtenaar de bij die ambtenaar aan het licht getreden ziekte daadwerkelijk hebben veroorzaakt. Het is aan de ambtenaar om dit aannemelijk te maken door feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat van zo'n voldoende mate van waarschijnlijkheid sprake is.

4.3. Appellante betoogt dat met betrekking tot het causaal verband de zogeheten "omkeringsregel" moet worden toegepast, zoals deze in de jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden is ontwikkeld en gepreciseerd. Zij onderkent dat de regels van het burgerlijk recht in het ambtenarenrecht niet rechtstreeks van toepassing zijn, doch meent ook in 's Raads jurisprudentie voldoende aanknopingspunten te vinden voor omkering van de bewijslast in een geval als het onderhavige.

4.4. Gelet op de in het geding gebrachte medische rapportages en het verhandelde ter zitting ziet de Raad voldoende vaststaan dat bij appellante sprake is van objectiveerbare beperkingen van het houdings- en bewegingsapparaat. Het gaat daarbij met name om klachten aan hand, pols, (onder)arm en schouder. Partijen verschillen evenwel van mening over het antwoord op de vraag of aan dit complex van klachten de diagnose RSI kan worden verbonden.

4.5. Met betrekking tot de aard van de door appellante verrichte werkzaamheden is naar voren gekomen dat deze gedurende lange tijd in overwegende mate hebben bestaan uit het beantwoorden van telefonische verzoeken om inzage van het handelsregister, het verzorgen van correspondentie en/of het verrichten van handelsnaamonderzoek. Bij al deze werkzaamheden stond werken met computerapparatuur (beeldscherm en toetsenbord) centraal. Van de zijde van de Kamer van Koophandel is niet overtuigend aangetoond dat de opgedragen werkzaamheden daarnaast de nodige ruimte lieten voor afwisseling met andere, niet computergebonden activiteiten. Voorts laten de geding-stukken zien dat de Arbodienst reeds in 1993-1995 aanmerkingen heeft gemaakt op de omstandigheden waaronder met de computer moest worden gewerkt en voorstellen heeft gedaan voor het optimaliseren van de werkplekken. Aan deze aanbevelingen is eerst in de loop van 1998 gevolg gegeven door het aanschaffen van nieuw meubilair. De klachten van appellante hadden zich toen reeds geopenbaard en zij heeft zich daarvoor rond die tijd onder behandeling van een fysiotherapeut gesteld. Daargelaten dat ook het nieuwe meubilair nog tekortkomingen zou hebben vertoond, heeft appellante daarvan niet veel gebruik meer kunnen maken omdat zij in maart 1999 is uitgevallen en nadien alleen nog ambulant en begeleidend werkzaam is geweest.

4.6. Anders dan appellante heeft betoogd, is met het vorenstaande nog niet gegeven dat haar klachten, behoudens tegenbewijs van de zijde van de Kamer van Koophandel, moeten worden toegeschreven aan de omstandigheden waaronder de computerwerk-zaamheden werden verricht. Daarvoor bestaat onvoldoende inzicht in de aard en in de mogelijke oorzaken van de klachten. Door middel van de diagnose RSI wil appellante kennelijk tot uitdrukking gebracht zien dat zij lijdt aan een aandoening die bij uitstek pleegt te worden veroorzaakt door het (onder medisch/ergonomisch ongunstige omstandigheden) verrichten van computerwerkzaamheden. Voor die conclusie bieden de beschikbare medische gegevens echter geen toereikende grondslag. Daarbij is met name van belang dat de diagnose RSI (van elleboog/onderarm, L685) alleen door de USZO-verzekeringsarts D. met zoveel woorden is gesteld en dat enige motivering daarvoor ontbreekt hetgeen temeer klemt nu de door D. geraadpleegde revalidatiearts H. juist had verklaard geen duidelijke diagnose te kunnen stellen. Voorts kan niet worden voorbijgezien aan de twijfel die in sommige rapportages wordt geuit omtrent de werkelijke achtergronden en de ernst van de klachten.

4.7. Het komt de Raad voor dat een bepaling van de mogelijke oorzaken van de klachten ernstig is bemoeilijkt door het ontbreken van gegevens vanuit de behandelende sector (waaronder de huisarts) over het beloop van de aandoening gedurende de werkzame periode. Het ontbreken van deze gegevens kan niet alleen aan appellante worden toegerekend, nu in het kader van de op de Kamer van Koophandel rustende onderzoeksplicht op onduidelijk gebleven gronden is aangenomen dat appellante weigerde de vereiste toestemming voor raadpleging van de behandelende sector te verlenen. Van zo'n weigering is echter onvoldoende gebleken.

4.8. Het hiervóór overwogene brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. Om die reden komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het in stand is gelaten. De Kamer van Koophandel dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Het ligt in de rede, appellante daartoe nader medisch te laten onderzoeken en haar in de gelegenheid te stellen om in dat verband nadere informatie over de aard en de mogelijke oorzaken van haar aandoening te (doen) verschaffen.

5. De Raad acht termen aanwezig om de Kamer van Koophandel met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellante in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellante in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Bepaalt dat de algemeen directeur van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Utrecht en Omstreken een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante;

Veroordeelt de algemeen directeur van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Utrecht en Omstreken in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door genoemde Kamer;

Bepaalt dat de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Utrecht en Omstreken aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 307,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.

HD

06.06

Q