Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
04-4623 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van het Voorzieningenstelsel Buitenland Defensiepersoneel is aan betrokkene een tegemoetkoming verstrekt in de onderwijskosten. In geding is de terugvordering van ten onrechte teveel betaalde bedrag aan tegemoetkoming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4623 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 12 juli 2004, 03/02185 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Zeestrijdkrachten als rechtsopvolger van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten (hierna: Commandant)

Datum uitspraak: 15 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006. Namens appellant is verschenen mr. M.A. Billiet-de Jonge, werkzaam bij VBM/NOV vakbond voor defensiepersoneel. De Commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.I.I. Miener, werkzaam bij het ministerie van Defensie (hierna: Ministerie).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, sergeant-majoor van de mariniers algemeen, was van 1996 tot 1999 geplaatst bij de marinierskazerne Savaneta op Aruba. Gedurende het schooljaar 1996/1997 volgden zijn twee kinderen onderwijs op de basisschool “de Schakel” aldaar. Bij besluit van 5 november 1997 is aan hem met toepassing van artikel 16 van het Voorzieningenstelsel Buitenland Defensiepersoneel een tegemoetkoming verstrekt in de onderwijskosten voor deze twee kinderen ten bedrage van AFL 9.834,53. De kasbeheer-der bij de marinierskazerne is gemachtigd dat bedrag uit te betalen onder gelijktijdige verrekening van het verstrekte voorschot. Het (volledige) bedrag is eind 1997 zonder enige verrekening aan appellant overgemaakt.

1.2. Nadat een huishoudelijk onderzoek was uitgevoerd naar de administratie van de schoolgelden in die periode is appellant op 26 november 1998 verzocht het aan hem berekende voorschot onderwijskosten (AFL 10.000,-) voor het schooljaar 1996/1997 terug te betalen. Aan dat verzoek lag ten grondslag dat de tegemoetkoming per abuis aan appellant was verstrekt zonder verrekening van het reeds door het Ministerie aan de onderwijsverzorgende Stichting Combina betaalde voorschot. Appellant had bij correcte verrekening nog een bedrag van AFL 156,47 dienen te betalen aan de Commandant. Appellant heeft niet aan het verzoek voldaan.

1.3. Bij besluit van 6 september 2002 heeft de Commandant van appellant de tegenwaarde in euro’s van het bedrag van AFL 10.000,- teruggevorderd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 april 2003.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 11 april 2003 ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Met de rechtbank stelt de Raad op grond van de gedingstukken vast dat als gevolg van de voorschotbetalingen door het Ministerie voor 75 kindplaatsen waaronder die voor de kinderen van appellant, appellant zelf voor het schooljaar 1996/1997 geen schoolgeld aan de Stichting Combina was verschuldigd. Eveneens staat vast dat aan appellant een tegemoetkoming is toegekend en betaald zonder dat verrekening heeft plaatsgevonden met die voorschotbetalingen. De hoogte van alle hiervoor genoemde bedragen is niet in geschil. Het bedrag van de terugvordering is samengesteld uit het bedrag van de aan appellant betaalde tegemoetkoming, vermeerderd met het bedrag dat appellant na verrekening van die tegemoetkoming met het aan hem toegerekende voorschot had dienen bij te betalen, in totaal € 4.912,93. Ook dat is niet in geschil.

3.2. Appellant heeft aangevoerd dat geen sprake is van onverschuldigde betaling, omdat hij naar aanleiding van een hem toegezonden factuur eind 1996 zelf, contant, het schoolgeld voor zijn twee kinderen aan de penningmeester van de Stichting Combina heeft voldaan. De Raad acht deze stelling niet geloofwaardig. Hij sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen en stelt vast dat een en ander wordt bevestigd in de in hoger beroep door de Commandant overgelegde schriftelijke verklaring van de toenmalige penningmeester van de Stichting Combina. Met betrekking tot de in hoger beroep betrokken stelling van appellant dat hij de (correctie)rekening van 9 januari 1997 - met daarin opgenomen het reeds betaalde voorschot en een nog door appellant te betalen bedrag nihil - niet heeft ontvangen, evenmin als de in 1.2. genoemde brief van

26 november 1998, merkt de Raad op dat hij daaraan evenmin geloof hecht. Appellant heeft in zijn bezwaarschrift eerder over deze brieven verklaard “dat het niet zo voor de hand liggend is dat hij die heeft ontvangen” dan wel “dat hij ze niet als zodanig heeft herkend”. De Raad merkt ten slotte op dat appellant gezien zijn positie als hoofd personeelszaken van destijds - als geen ander - geacht kon worden op de hoogte te zijn van de gang van zaken rondom het schoolgeld en hij acht het niet aannemelijk dat appellant als enige militair vrijwillig en op eerste verzoek zelf het schoolgeld zou hebben voldaan.

Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat sprake is van onverschuldigde betaling aan appellant en voorts dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat dit het geval was. De Commandant was derhalve bevoegd tot terugvordering van het teveel betaalde over te gaan.

3.3. Met de brief van 26 november 1998 is de Commandant voorts gebleven binnen de termijn van 2 jaar welke volgens vaste jurisprudentie van de Raad geldt in een geval als dit. Nu appellant tegen de hoogte van de ingehouden termijnbedragen geen grieven heeft aangevoerd, ziet de Raad in hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de Commandant van zijn terugvorderingsbevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken op de wijze als is geschied.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

25.05