Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8741

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
05-2576 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering toeslag en voorzieningen ingevolge de WUBO. Geen sprake van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet door het oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2576 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 1 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft K. Visser, wonende te Sint Oedenrode, beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 25 maart 2005, kenmerk JZ/A70/2005, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006. Appellant is in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

In april 1991 heeft appellant, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een verzoek ingediend om ingevolge de Wet te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant gesteld dat hij gezondheidsklachten heeft die zijns inziens verband houden met hetgeen hem tijdens de oorlog en de daaropvolgende Bersiap-periode in het voormalige Nederlands-Indië is overkomen.

Bij besluit van 23 april 1992 heeft verweerster de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet kan worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van artikel 2 van de Wet. Verweerster heeft hierbij overwogen dat appellant is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld, maar dat hij daarbij geen psychisch of lichamelijk letsel heeft opgelopen leidende tot blijvende invaliditeit.

Verweerster is tot dit standpunt gekomen in navolging van de adviezen van haar geneeskundig adviseur B. Roos van respectievelijk 20 februari 1992 en 20 maart 1992 die tot het oordeel is gekomen dat bij appellant sprake is van een degeneratieve aandoening berustend op slijtage van de lumbale wervelkolom en de derde nekwervel, die niet in verband staat met de geverifieerde calamiteiten in de zin van de Wet, terwijl hij de psychische klachten daarmede wel in verband ziet staan maar niet de grens van invalidering bereiken.

Tegen het besluit van 23 april 1992 heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

In januari 2001 heeft appellant een hernieuwde aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering krachtens de Wet. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 4 september 2001, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van

31 januari 2002. Verweerster was daarbij van mening dat er geen medische feiten of gegevens waren aangevoerd die aanleiding hadden moeten zijn het eerdere besluit voor wat betreft de non-causaliteit van de bij appellant aanwezige lichamelijke klachten te herzien en voorts dat bij onderzoek door de geneeskundig adviseur R. van Gorcum en uit informatie bij psychiater F. Schmedding niet was gebleken van zodanige toename van de psychische klachten van appellant dat sprake was van invaliditeit in de zin van de Wet.

Het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 17 juli 2003, nummer 02/1393 WUBO, ongegrond verklaard zodat dat besluit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

Appellant heeft vervolgens in september 2003 een hernieuwde aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag als bedoeld in

artikel 19 van de Wet, alsmede enkele bijzondere voorzieningen. Appellant heeft daarbij aangegeven naast zijn lichamelijke klachten vooral psychisch te zijn achteruit gegaan.

Verweerster heeft bij besluit van 1 april 2004 erkend dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld, doch het door appellant gedane verzoek voor het overige afgewezen omdat zij van mening blijft dat bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.

Verweerster heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van haar geneeskundig adviseur de arts R. van Gorcum die, alvorens zijn advies uit te brengen appellant op 3 februari 2004 - evenals op 14 augustus 2001 - bij appellant thuis heeft onderzocht en na informatie te hebben ingewonnen bij K. Bülbül, huisarts van appellant, tot de conclusie is gekomen dat er bij appellant weliswaar een toename van de psychische klachten is doch dat deze psychische klachten niet invaliderend tot uiting komen.

Kort na dit besluit (van 1 april 2004) heeft K.Visser als gemachtigde van appellant wederom een verzoek gedaan om in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, alsmede enkele bijzondere voorzieningen. Daarbij is aangegeven dat de gezondheidstoestand van appellant verder is verslechterd.

Bij besluit van 9 december 2004, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit heeft verweerster dit verzoek afgewezen op de grond - kort gezegd - dat blijkens opnieuw ingewonnen informatie bij de huisarts van appellant ten aanzien van appellant zich geen zodanige nieuwe medische ontwikkelingen hebben voorgedaan dat thans wel sprake zou zijn van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet door het oorlogsgeweld.

In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens en door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag op grond van de navolgende overwegingen bevestigend.

Voorop staat dat appellant kort voor de huidige aanvraag van de zijde van verweerster, in het kader van een toen ingediende soortgelijke aanvraag, aan een medisch onderzoek is onderworpen waarbij de psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen in het leven van alledag uitgebreid aan bod zijn gekomen. Op basis van de resultaten van dat onderzoek is - zoals hiervoor al is vermeld - de toenmalige aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 1 april 2004, in welk besluit appellant heeft berust.

Het voorgaande brengt, gelet ook op het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over herhaalde aanvragen, mee dat verweerster - nog daargelaten de belasting die dit ook voor appellant zelf zou meebrengen - niet zonder meer gehouden kan worden geacht om appellant zo kort na het vorige onderzoek wederom aan een specifiek medisch onderzoek te doen onderwerpen. De Raad acht aanvaardbaar dat verweerster eerst heeft doen nagaan via de huisarts van appellant of er wel voldoende aanwijzingen waren om een plotselinge verslechtering van de psychische gezondheid en/of de levensomstandigheden van appellant te vermoeden. Appellant heeft zich eerst in juni 2005 voor therapeutische behandeling gewend tot drs. M.J.G. Latour, psycho-therapeute te Valburg en een zijdens appellant toegezegde nadere medische verklaring

omtrent zijn psychische gezondheidstoestand is tot heden niet ingebracht.

Nu uit de informatie van appellants huisarts K. Bülbül van 4 februari 2005 niet blijkt van gewijzigde en/of toegenomen behandeling in verband met psychische klachten of van verslechterde levensomstandigheden, kon de geneeskundig adviseur van verweerster, naar het oordeel van de Raad zonder verder onderzoek concluderen dat een relevante wijziging in de situatie van appellant ten tijde in geding niet aan de orde was zodat van een invalidering in de zin van de Wet nog steeds niet kon worden gesproken.

Een en ander betekent dat het namens appellant ingestelde beroep niet kan slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.