Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8740

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
05-1929 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering tot erkenning als oorlogsgetroffene omdat niet is vastgesteld dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1929 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 1 juni 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.W. Enoch, advocaat te Utrecht, beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 17 februari 2005, kenmerk JZ/M60/2005/0056, door verweerster ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.A.W. Enoch voornoemd als zijn raadsman, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellant, die is geboren [in] 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, in november 1999 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet. In dat verband heeft appellant gesteld dat hij psychische en lichamelijke klachten heeft die in zijn opvatting verband houden met hetgeen hij tijdens de Japanse bezetting heeft meegemaakt.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 29 december 2000, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 november 2001, onder overweging dat niet is vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

In april 2001 heeft appellant een verzoek ingediend om toepassing van de in artikel 3, tweede lid, van de Wet neergelegde antihardheidsclausule in verband met het feit dat zijn vader ten gevolge van de vervolging is omgekomen. Bij besluit van

28 maart 2002 heeft verweerster geoordeeld dat de omstandigheden waaronder appellant de oorlog heeft meegemaakt tengevolge van het omkomen van zijn vader zijn aan te merken als uitzonderlijk, maar dat het niet toepassen van de Wet ten aanzien van hem geen klaarblijkelijke hardheid vormt nu in zijn geval geen sprake is van psychische of lichamelijke klachten die redelijkerwijs zijn toe te schrijven aan het tengevolge van de oorlog omkomen van zijn vader. Dit standpunt heeft verweerster gehandhaafd bij besluit van 17 december 2002 waarbij nog met nadruk is overwogen dat de eigen ervaringen van appellant tijdens de Japanse bezettingsperiode niet kunnen worden meegenomen in de medische beoordeling, nu niet is vastgesteld kunnen worden dat appellant vervolging heeft ondergaan.

Bij uitspraak van 26 februari 2004, nummer 03/475 WUV, heeft de Raad het beroep dat appellant tegen laatstgenoemd besluit heeft ingesteld, ongegrond verklaard.

In juni 2004 heeft appellant zich tot verweerster gewend met een verzoek om de afwijzing van zijn eerdere aanvraag van november 1999 te herzien. In dit verband heeft eiser aangevoerd dat hij vier getuigen heeft opgespoord die hebben verklaard dat appellant tijdens de Japanse bezettingsperiode in de kampen Gloegoer en Poelauberajan (lees: Poelau Brayan) heeft verbleven. In het kader van dat verzoek zijn vier eensluidende verklaringen overgelegd ondertekend door respectievelijk

[H.C.v. D.-d. F.], [S. D.-L.], [A. M.] en [L. T.-K.]. Zij verklaren getuige te zijn geweest dat appellant in het vrouwenkamp Gloegoer heeft gezeten in het jaar 1944 en na de Japanse capitulatie te zijn overgebracht naar kamp Poelauberajan.

Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 14 oktober 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het nu in beroep bestreden besluit, op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten of gegevens die, als zij eerder bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, om een eerder door haar genomen besluit in het voordeel van de bij dit besluit betrokkene te herzien.

Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat verweerster bij het gebruik daarvan een ruime beleidsvrijheid toekomt. Een in het kader van die bevoegdheid genomen besluit kan door de Raad derhalve slechts terughoudend worden getoetst.

Deze terughoudende toetsing brengt mee dat de Raad een zodanig besluit van verweerster alleen dan in rechte kan aantasten, indien moet worden gezegd dat door de belanghebbende bij de aanvraag of in bezwaar nieuwe, eerder niet bekende feiten of omstandigheden heeft ingebracht die een zodanig ander licht werpen op de eerder beoordeelde situatie dat verweerster in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren om op haar eerder oordeel terug te komen.

De Raad moet echter vaststellen dat in dit geval van nieuwe feiten en omstandigheden in voormelde zin geen sprake is.

In dit verband neemt de Raad vooral in aanmerking dat appellant weliswaar vier nieuwe getuigenverklaringen heeft ingebracht, maar dat uit de bij verweerster over drie van die getuigen bekende gegevens blijkt dat de verklaringen niet op eigen waarneming berusten nu die getuigen niet zelf in kamp Gloegoer hebben verbleven en appellant - ook volgens eigen verklaring - pas in de zogeheten Bersiap-tijd, dus na de Japanse capitulatie, in kamp Poelauberajan zou hebben verbleven. Voorts is van belang dat - naar uit zijdens verweerster overgelegde stukken blijkt - een overbrenging vanuit Gloegoer naar Poelau Brayan ná 15 augustus 1945 niet overeenkomt met historisch bekende gegevens. Uit die gegevens komt niet alleen naar voren dat kamp Gloegoer op 15 juli 1945 al volledig ontruimd was, maar ook dat verblijf tijdens de Japanse tijd in Gloegoer en Poelau Brayan vanaf juni of juli 1945 zou hebben geleid tot overbrenging naar kamp Aik Paminke I.

De overigens eerst in de beroepsfase overgelegde (aanvullende) getuigenverklaringen van respectievelijk

[L. T.-K.] en [H.C.v. D.-d. F.] bieden over een en ander geen verdere duidelijkheid.

Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit om niet tot herziening over te gaan. Ook overigens is uit hetgeen in beroep is aangevoerd niet kunnen blijken dat verweerster een besluit heeft genomen dat de bovenomschreven toetsing van de Raad niet kan doorstaan. Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) E. Heemsbergen.