Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8739

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
05-329 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Exploitatie hennepkwekerij. Ongevraagd ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/329 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 8 december 2004, 04/1103 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.S. Staijen, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Staijen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Celik, mr. Y.A.M. Hemel en A. Hoorweg, allen werkzaam bij de gemeente Deventer.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1.Appellant was in dienst van de gemeente Deventer als medewerker repressie bij de sector Brandweer & Hulpverlening. Daarnaast was hij vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer te Deventer. Op 8 december 2003 is in de kelder van een aan appellant toebehorende woning een hennepkwekerij met ruim 600 planten of restanten daarvan aangetroffen en verwijderd door de politie. Appellant is in verband hiermee met ingang van 16 december 2003 geschorst, waarna het College op 9 februari 2004 hem het voornemen heeft kenbaar gemaakt tot het opleggen van een disciplinaire maatregel wegens plichtsverzuim. Na hierover te zijn gehoord, is appellant bij besluit van 12 maart 2004 met toepassing van de artikelen 8:13 en 19:1:31, eerste lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Deventer (hierna: Arbeidsvoorwaardenregeling) met ingang van 15 maart 2004 ongevraagd ontslag verleend. Dit besluit is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 10 september 2004.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, evenals bij de rechtbank, betoogd dat de opgelegde disciplinaire straf van ongevraagd ontslag onevenredig is aan de ernst en de omvang van het gepleegde plichtsverzuim. Hij heeft daartoe, kort samengevat, aangevoerd dat een rechtstreekse relatie tussen het misdrijf en zijn functie ontbreekt, dat hij geen deel uitmaakte van een illegaal circuit, dat de leidinggevenden niet voldoende redenen hadden om het vertrouwen in hem op te zeggen en dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Appellant heeft verder gesteld dat het College geen eenduidig beleid voert ten aanzien van gemeenteambtenaren die een hennepkwekerij hebben, gezien het feit dat in een ander geval de desbetreffende ambtenaar niet is ontslagen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim in de zin van artikel 16:1:1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling. De Raad ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen.

4.2. Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank volgt in haar oordeel dat de aan appellant opgelegde straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig is aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Daarbij overweegt de Raad dat het College terecht hoge eisen stelt aan de integriteit en betrouwbaarheid van ambtenaren van de gemeente en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden getolereerd dat een ambtenaar van de gemeente een hennepkwekerij exploiteert, hetgeen een overtreding is van de Opiumwet en als misdrijf strafbaar is gesteld. De Raad is met het College van oordeel dat dit in het bijzonder geldt voor functionarissen van de brandweer, aan wier betrouwbaarheid en integriteit de hoogste eisen moeten worden gesteld, gezien de bijzondere taak en verantwoordelijkheid van het brandweerkorps in de gemeente.

Naar het oordeel van de Raad heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant met zijn gedrag het aanzien van de gemeente en van de brandweer in ernstige mate heeft geschaad.

4.3. Naar het oordeel van de Raad heeft het College voorts terecht in aanmerking genomen dat appellant met zijn handelwijze het risico liep in contact te komen met personen uit het criminele milieu en/of betrokken te raken bij criminele activiteiten van anderen, wat als een ernstige risicofactor voor zijn functioneren moet worden gezien. Dat het volgens appellant zover niet was gekomen, doet aan dit als reëel aan te merken risico niet af.

4.4. De Raad acht verder van belang dat de leidinggevenden van de brandweer hebben verklaard in appellant geen vertrouwen meer te hebben, vooral waar het gaat om het onderlinge vertrouwen binnen zijn ploeg en dat blijkens de stukken ook wat betreft het door appellant nakomen van de verplichting om een aangetroffen hennepkwekerij te melden bij de politie, het vertrouwen in hem is geschonden. Hier weegt niet tegenop dat directe collega’s van appellant schriftelijk hebben verklaard geen problemen te verwachten voor de kwaliteit en het functioneren van de uitrukploeg indien appellant daarin terugkeert.

4.5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat de straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig is aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. De Raad voegt hieraan toe dat het enkele feit dat in een ander geval is volstaan met een minder vergaande disciplinaire maatregel niet met zich brengt dat het aan appellant gegeven ontslag niet in stand kan blijven. Naar gebleken is verschilden de relevante omstandigheden van dat geval ook van dat van appellant.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor het toepassen van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th Wolleswinkel en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.

HD

12.05