Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8726

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
05-3921 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen ziekten of gebreken zijn geconstateerd waarvan kan worden vastgesteld dat deze redelijkerwijs verband houden met het omkomen van de vader, zodat betrokkene voor een periodieke uitkering niet in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3921 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 1 juni 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 7 april 2005, kenmerk JZ/E70/2005, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006, waar appellante, zoals tevoren schriftelijk is bericht, niet is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, in maart 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om - voor zover thans nog van belang - haar met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen en, onder meer, een periodieke uitkering toe te kennen. Daartoe heeft appellante in het bijzonder aangevoerd dat zij ten gevolge van het omkomen van haar vader in 1944 bij de torpedering van de Junyo Maru tijdens zijn transport als krijgsgevangene naar Sumatra psychische en lichamelijke klachten heeft gekregen. Haar moeder was reeds een maand eerder overleden en appellante werd ondergebracht bij pleegouders die haar verwaarloosden.

Bij besluit van 7 december 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat bij appellante geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs in verband zijn te brengen met het omkomen van haar vader.

De Raad staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep door appellante is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster, onder meer, bevoegd om met de vervolgde gelijk te stellen de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat aan verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich mee dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen.

Verweerster heeft - naar uit de gedingstukken blijkt - het omkomen van de vader van appellante op zichzelf aangemerkt als omstandigheid welke voor appellante overeenkomst vertoont met vervolging. Niettemin heeft verweerster geweigerd om van de haar in artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven bevoegdheid gebruik te maken, omdat zij bij appellante geen ziekten of gebreken heeft geconstateerd waarvan kan worden vastgesteld dat deze redelijkerwijs verband houden met het omkomen van haar vader, zodat appellante voor een periodieke uitkering niet in aanmerking komt.

Het geding spitst zich, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, toe op de vraag of verweerster terecht en op goede gronden tot haar evengenoemde standpunt is gekomen. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

Verweerster heeft haar standpunt gebaseerd op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op, onder meer, de resultaten van een door één van deze adviseurs, de arts A.M. Koop uitgevoerd onderzoek van appellante. In haar uitvoerig gemotiveerde rapportage is genoemde arts tot de conclusie gekomen dat er bij appellante geen sprake is van ziekten en/of gebreken die redelijkerwijs het gevolg moeten worden geacht van het omkomen van vader in de oorlogstijd. Hierbij is aangegeven dat er momenteel enige psychische klachten zijn, maar dat deze niet het niveau bereiken van ziekte of gebrek. Voorts is aangegeven dat de lichamelijke klachten, bestaande uit huid- en oogklachten, eczeem, pijnklachten aan arm, been, nek en rug, malaria, lintworm en migraine redelijkerwijs niet aan het omkomen van de vader van appellante kunnen worden toegeschreven.

Appellante heeft aangevoerd dat zij wel degelijk causale psychische en lichamelijke klachten heeft die hebben geleid tot blijvend letsel in de zin van de Wet en zij begrijpt niet dat haar zuster J.M. Haurissa-Tonissen, die in Nederland woont, wel is erkend krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO).

Wat betreft de medische beoordeling van de naar voren gebrachte klachten van appellante is de Raad van mening dat in de voorhanden medische gegevens omtrent appellante geen grond is te vinden om te twijfelen aan de juistheid van het aan de hand van genoemde adviezen tot stand gekomen standpunt van verweerster. De Raad heeft ook niet kunnen vaststellen dat de door verweerster gevolgde medische adviezen wat de waardering van de psychische en lichamelijke klachten van appellante betreft, berusten op onjuiste gegevens en/of een onjuiste interpretatie van die gegevens, terwijl andersluidende medische informatie niet in het geding is gebracht.

Wat het door appellante gedane beroep betreft op de omstandigheid dat haar zuster

J.M. Haurissa-Tonissen voornoemd is erkend voor de toepassing van de WUBO, wijst de Raad erop dat - nog daargelaten dat het gaat om een andere wet - een medische beoordeling een individuele beoordeling is en dat elk individu zijn ervaringen op zijn eigen manier verwerkt, zodat het goed mogelijk is dat gelijke ervaringen bij de een leiden tot invaliditeit en bij de ander niet.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

04.05