Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
05-6180 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer milieustation. Strafontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6180 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 augustus 2005, 04/513 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Wellen, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Namens het College heeft mr. M.J.J. Rutten, advocaat te 's-Hertogenbosch, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Wellen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Rutten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1962, is per 1 januari 1998 in dienst getreden bij de gemeente 's-Hertogenbosch. Hij was laatstelijk werkzaam als medewerker locaties bij de Afvalstoffendienst.

1.2. Naar aanleiding van signalen over misstanden bij de vestigingen van de Afvalstoffendienst (milieustations) is in 2002 op last van het College een onderzoek ingesteld door het particuliere recherchebureau H. De resultaten van dit onderzoek hebben geleid tot maatregelen tegen een aantal medewerkers. Sommigen zijn ontslagen of overgeplaatst. Aan appellant is bij besluit van 21 januari 2003 de disciplinaire straf opgelegd van vermindering van het salaris met één periodiek voor de duur van een jaar. Daarbij is aangegeven dat alleen vanwege zijn medische beperkingen niet tot overplaatsing is besloten en dat, indien hij zich opnieuw aan ernstig plichtsverzuim schuldig maakt, ondanks die beperkingen vergaande maatregelen zullen moeten worden genomen. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3. In 2003 heeft het recherchebureau H. opnieuw observaties verricht. In het daarvan opgemaakte rapport is onder meer een beschrijving gegeven van handelen en nalaten door appellant tijdens zijn dienst op 7 juli 2003. Bij brief van 2 september 2003 heeft het College aan appellant het voornemen bekend gemaakt om hem met toepassing van artikel 8:13 van de Rechtspositieregeling van de gemeente 's-Hertogenbosch bij wijze van disciplinaire straf te ontslaan. Nadat appellant mondeling verantwoording had afgelegd, heeft het College hem bij besluit van 24 september 2003, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 14 januari 2004, de straf opgelegd van disciplinair ontslag met ingang van 1 oktober 2003.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Blijkens het bestreden besluit en het aan het ontslag ten grondslag liggende voornemen, zoals ter zitting nader toegelicht, verwijt het College appellant dat hij:

(a) klanten goederen heeft laten meenemen, zoals een spiegel en een lade vol kranen en koperwerk, waarbij in het laatste geval de schijn is ontstaan dat de klant hiervoor betaalde;

(b) zonder toestemming van zijn leidinggevende een door een klant ter verwijdering aangeboden doos met gele tennisballen apart heeft gezet in het kantoortje;

(c) heeft gezien dat een collega koper apart heeft gelegd en dat een (vermoedelijke) collega een stereotoren in het kantoortje apart heeft gezet, zonder hierover een leidinggevende te informeren.

2.2. De Raad is van oordeel dat het apart (laten) zetten van de doos met tennisballen en de stereotoren geen plichtsverzuim oplevert. Op het milieustation gold immers de procedure dat een medewerker die belangstelling had voor bepaalde als afval aangeboden spullen daarvoor een bonnetje kon invullen. Indien de leidinggevende dit bonnetje aftekende, stond het de betrokken medewerker vervolgens vrij de daarop vermelde spullen mee naar huis te nemen. Gegeven het bestaan van deze procedure, kon de medewerkers niet worden verweten dat zij bij het afval aangetroffen goederen, waarvoor zij belangstelling hadden, in veiligheid brachten door deze apart te zetten. Weliswaar is niet gebleken dat appellant later zijn leidinggevende om de tennisballen heeft gevraagd, maar evenmin is komen vast te staan - of aan appellant verweten - dat hij de tennisballen daadwerkelijk vanaf het milieustation heeft meegenomen. Om diezelfde reden kan appellant ook niet verweten worden dat hij niet ingreep als collega's goederen opzij zetten.

2.3. Wat betreft het gesuggereerde aannemen van betaling van een derde, in ruil voor (oogluikende) toestemming om bij het afval aangetroffen goederen of materialen mee te nemen, stelt de Raad vast dat het College bij het formuleren van zijn verwijten niet verder is gegaan dan dat appellant de schijn van het verrichten van zodanige geldhandelingen niet heeft vermeden. Dit verwijt acht de Raad, mede gelet op de taken die appellant waren opgedragen en zijn verdere positie binnen het milieustation, te zwak om daarop de conclusie van plichtsverzuim te kunnen baseren.

2.4. Voor het overige is het aan appellant verweten handelen en nalaten voldoende komen vast te staan en door het College terecht als plichtsverzuim aangemerkt. De door het recherchebureau H. beschreven constateringen zijn stellig en gedetailleerd en kunnen die conclusie dragen. Appellant heeft daartegenover slechts algemeen geformuleerde en wisselende ontkenningen geplaatst. Bovendien heeft hij toegegeven dat hij wist van ongeoorloofde handelingen van collega's en naliet daar iets tegen te ondernemen. Anders dan appellant heeft betoogd, bracht zijn functie wel degelijk met zich mee dat hij onregelmatigheden signaleerde, zowel bij klanten als bij collega's, en daarvan melding behoorde te maken bij een leidinggevende. Van zo'n melding is niets gebleken. Het is op zichzelf begrijpelijk dat appellant de collegiale verhoudingen niet onder druk wilde zetten, maar de feiten zoals door het bureau H. geconstateerd had appellant op zijn minst in algemene bewoordingen bij zijn chef moeten aankaarten. Wat betreft het laten meenemen van de kranen en het koperwerk - uit een oogpunt van afvalstoffenverwerking een ernstig vergrijp - moet zelfs van actieve betrokkenheid van appellant worden gesproken.

2.5. De Raad heeft geen grond gevonden voor het oordeel dat het vastgestelde plichtsverzuim appellant niet kan worden toegerekend. Dat appellant nog herstellende was van een - volgens de Arbeidsinspectie mede aan de gemeente te verwijten - bedrijfsongeval en in verband daarmee slechts voor 50% en op arbeidstherapeutische basis werkzaam was, kan zijn handelen en nalaten niet rechtvaardigen. Voorts is aannemelijk geworden dat door de leiding van de Afvalstoffendienst uitvoerig aandacht is besteed aan de eisen van integriteit die aan medewerkers van een milieustation worden gesteld. Zeker na de drastische ingrepen bij de Afvalstoffendienst in 2002, kan appellant niet onkundig zijn geweest van het feit dat juist aan het laten meenemen van als afval aangeboden goederen en materialen zwaar werd getild. Ook persoonlijk gold hij als een gewaarschuwd man, nu hij bij het onder 1.2. vermelde besluit van 21 januari 2003 was gestraft voor vergelijkbare feiten als thans aan de orde, onder dreiging met verdergaande maatregelen in geval van herhaling. Dat appellant de aan dit besluit ten grondslag gelegde feiten thans - overigens ongemotiveerd - bestrijdt, kan niet afdoen aan de waarschuwende werking die ervan uitging. Dat de strekking van het besluit appellant zou zijn ontgaan, acht de Raad onaannemelijk, mede gezien de ophef die het optreden van het College destijds heeft veroorzaakt. Deze voorgeschiedenis in aanmerking genomen, kan naar het oordeel van de Raad niet worden staande gehouden dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de aard en de ernst van het thans verweten plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd.

2.6. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J.Hospel.

HD

26.05