Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8697

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
05-3987 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hernieuwde aanvraag WUBO-uitkering. Geen sprake van nieuwe feiten en/of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3987 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 1 juni 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 31 mei 2005, kenmerk JZ/I/70/2005, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006. Appellante is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, in september 1991 bij verweerster een verzoek ingediend om krachtens de Wet te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering.

Appellante heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van hetgeen zij tijdens de zogenoemde Bersiap-periode in het voormalige Nederlands-Indië heeft meegemaakt.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 9 september 1992, op de grond dat weliswaar in voldoende mate is komen vast te staan dat appellante is getroffen door ongeregeldheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e (thans f), van de Wet, maar dat appellante ten gevolge van die gebeurtenissen geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.

Tegen het besluit van 9 september 1992 heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

In november 1994 heeft appellante bij verweerster een verzoek ingediend om de afwijzing van haar eerdere aanvraag te herzien. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 16 februari 1995, op de grond dat geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gebracht waarmee bij het eerdergenoemde besluit geen rekening is gehouden zodat geen aanleiding bestaat om het eerdere besluit te herzien.

Ook tegen dat besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

In december 2004 heeft appellante zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet alsmede een periodieke uitkering.

Appellante heeft in dat verband aangegeven dat zij als gevolg van de oorlogsgebeurtenissen in het voormalige Nederlands-Indië waarbij zij betrokken is geweest psychische en lichamelijke klachten heeft.

Verweerster heeft bij besluit van 22 maart 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, (nogmaals) erkend dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld, doch het door appellante gedane verzoek afgewezen omdat zij van mening blijft dat bij appellante geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet door het oorlogsgeweld.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerster in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke berusten op een rapport van (een nader) medisch onderzoek van appellante op 9 maart 2005 door een van deze adviseurs, de arts G. Kho, de van de huisarts van appellante verkregen informatie alsmede de reeds aanwezige medische gegevens in verband met de eerdere aanvragen van appellante. Uit genoemd rapport komt naar voren dat er bij appellante weliswaar sprake is van causale psychische klachten maar dat deze niet zodanig ernstig zijn dat ze tot beperkingen in het functioneren van appellante hebben geleid. Voorts is geoordeeld dat de lichamelijke klachten, te weten migraine, voet-klachten, jicht en heupklachten niet gerelateerd kunnen worden aan de oorlogservaringen van appellante doch een duidelijk andere oorzaak hebben. Ten aanzien van de migraine is overwogen dat dit een constitutionele aandoening is, de voetklachten en de jicht constitutioneel en degeneratief van aard zijn en de heupklachten degeneratief van aard zijn en pas op latere leeftijd ontstaan.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

Uit de ter beschikking staande medische gegevens is de Raad niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van de voorhanden medische gegevens ingenomen standpunt dat bij appellante geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel tengevolge van de oorlogservaringen. Appellante heeft ook zelf geen medische gegevens ingebracht die in andere richting wijzen.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) E. Heemsbergen.