Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
05-6224 WUV + 06-797 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag fysiotherapie tot 24 behandelingen per jaar, gedurende 5 jaren. Tegen de toekenning voor minder dan 5 jaar geen bezwaar gemaakt: geen procedureel belang.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6224 WUV + 06/797 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (USA) (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 1 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 29 juli 2005, kenmerk JZ/I/70/2005, te zijnen aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945( hierna: de Wet).

Verweerster heeft de Raad vervolgens doen toekomen een door haar onder dagtekening 16 december 2005, kenmerk JZ/I/70/2005, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet, waarbij zij bovengenoemd besluit onder meer heeft ingetrokken.

Appellant heeft te kennen gegeven zich ook met dit besluit niet te kunnen verenigen, zodat het beroep ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht wordt (in beginsel) mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006. Appellant is daar in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken is appellant, die is geboren te Amsterdam in 1932, erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Door verweerster is aanvaard dat de psychische klachten en de psychosomatische rugklachten van appellant in verband staan met de door hem ondergane vervolging.

Bij besluit van 2 oktober 1998 heeft verweerster appellant ingevolge artikel 20 van de Wet ingaande 1 september 1998 vergoeding verleend voor de kosten verbonden aan de door de behandelend arts voorgeschreven fysiotherapeutische behandeling in verband met de door de vervolging ontstane psychosomatische rugklachten, zulks ten hoogste 24 maal.

Aan appellant zijn vervolgens in het kader van herhalingsaanvragen, steeds toekenningen gedaan voor 24 behandelingen.

Op advies van een medewerker van het Consulaat-Generaal der Nederlanden (Wuv-afdeling) te Los Angeles (USA) heeft appellant in november 2004 een aanvraag ingediend voor een voorziening voor fysiotherapie tot 24 behandelingen per jaar, gedurende 5 jaren.

Deze aanvraag heeft verweerster bij haar besluit van 19 januari 2005 afgewezen op de grond - kort gezegd - dat die fysiotherapie is voorgeschreven voor de somatische rugklachten van appellant en dat deze klachten niet uit de vervolging voortvloeien, maar hun oorzaak vinden in degeneratieve afwijkingen.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit van 29 juli 2005 ongegrond verklaard. Verweerster heeft daarbij overwogen thans van oordeel te zijn dat de rugklachten van appellant voortkomen uit spondylartrose en zeer drukgevoelige S.I.-gewrichten en dat dit puur lichamelijke, degeneratief bepaalde klachten zijn. Bij wijze van overgang heeft verweerster bij dit besluit wel nog eenmaal, vanaf 1 september 2004, 24 behandelingen fysiotherapie toegekend.

Bij het bestreden besluit van 16 december 2005 heeft verweerster onder intrekking van het hierboven vermelde besluit van 29 juli 2005 het bezwaar van appellant alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard en hem zowel over de periode van 1 september 2004 tot 1 september 2005 als over de periode van 1 september 2005 tot 1 september 2006 een vergoeding voor fysiotherapie toegekend tot telkens ten hoogste 24 behandelingen, waarbij zij erop heeft gewezen dat bij een vervolgaanvraag voor deze voorziening een evaluatie zal plaatsvinden. Verweerster heeft bepaald dat appellant niet in aanmerking komt voor een vergoeding voor fysiotherapie voor een periode van vijf jaar en heeft in zoverre het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat het voor hem onbegrijpelijk is dat, nadat hem vanaf september 1998 ieder jaar op grond van zijn psychosomatische rugklachten de voorziening van fysiotherapie is toegekend, zijn aanvraag nu, terwijl er niets veranderd is, werd afgewezen op de grond dat de fysiotherapie is voorgeschreven voor somatische rugklachten die geen verband houden met de vervolging.

Dat hem nu voor een periode van twee jaar en niet voor vijf jaar vergoeding is verleend, acht appellant niet bezwaarlijk - hij was met zijn aanvraag tegemoetgekomen aan een verzoek van de consulaatmedewerker -, maar hij vreest dat na afloop van de periode van toekenning het geschil met betrekking tot de causaliteit van zijn rugklachten opnieuw aan de orde zal komen.

De Raad overweegt als volgt.

Uit het tot de gedingstukken behorende rapport, dat in verband met een aanvraag ter zake van extra huishoudelijke hulp in september 1994 door de geneeskundig adviseur van verweerster, J.J.B. den Hollander, is opgemaakt, blijkt dat deze heeft vastgesteld dat er sprake was van “psychogeen bepaalde spierpijnen laag in de rug, altijd op dezelfde plaats, welke zijn te beschouwen als een fysiologische reactie, een motorisch spanningsverschijnsel, onder invloed van een trigger (verhoogd prikkelbaar zijn)” en dat deze als causaal aanvaardbaar zijn. Verweerster heeft dat advies destijds overgenomen.

Voorts komt uit de verklaring van 12 juli 1998 van de behandelend fysiotherapeut van appellant ter gelegenheid van zijn eerste aanvraag om vergoeding van fysiotherapie naar voren dat appellant bij zijn therapeut reeds een tiental jaren bekend was met laag lumbale- als wel hoog thoracale rugklachten, gebaseerd op spondylarthrose en zeer drukgevoelige S.I. gewrichten beiderzijds.

De Raad moet dan ook vaststellen dat er van nieuwe gegevens en veranderde klachten sedert de eerste toekenning van fysiotherapie geen sprake is.

Van de kant van verweerster is ter zitting meegedeeld dat zij niet terugkomt van haar oordeel met betrekking tot causaliteit van de psychosomatische rugklachten van appellant. Zij is echter van oordeel dat de somatische aandoening, te weten de arthrotische veranderingen in de lumbale en cervicale wervelkolom, geen verband houdt met de vervolging en dat uit het attest van 3 november 2004 van de behandelend fysiotherapeut bleek dat appellant voor deze niet causale rugklachten werd behandeld.

Voorts heeft verweersters gemachtigde opgemerkt dat bij toekenning van een voorziening voor fysiotherapie in verband met psychosomatische aandoeningen een toekenningsnorm wordt gehanteerd van 24 behandelingen te ondergaan in de periode van tenminste een jaar. Deze fysiotherapie wordt, anders dan bij een toekenning van fysiotherapie in verband met organische aandoeningen, nooit voor een periode van vijf jaar toegekend. Met de toekenning aan appellant van een vergoeding van (tweemaal) 24 behandelingen fysiotherapie is derhalve, aldus de gemachtigde, een toekenning conform de geldende norm gedaan. In dit verband heeft hij tevens uitdrukkelijk meegedeeld dat het vermelden van een einddatum in het bestreden besluit niet juist is en dat appellant tegen de tijd dat het aantal van 48 behandelingen verbruikt is weer een vervolgaanvraag kan indienen. Indien die gevraagde voorziening zal blijken te zijn voorgeschreven voor de causale psychosomatische rugklachten kan die evenals in het verleden worden toegekend.

Verweerster is ten slotte van mening dat het beroep van appellant, voor zover dat gericht is tegen de aankondiging dat bij een vervolgaanvraag een evaluatie zal plaatsvinden, niet-ontvankelijk is. Die aankondiging is niet op zelfstandig rechtsgevolg gericht en derhalve geen besluit in de zin van art 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad kan zich hiermee verenigen.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de Raad voorts met betrekking tot het besluit van 16 december 2005 van oordeel dat, gezien het feit dat aan appellant de door hem gevraagde voorziening - overeenkomstig de door verweerster bij toekenning van fysiotherapie in verband met causale psychosomatische aandoeningen gebruikelijke handelwijze - is toegekend en appellant tegen toekenning voor minder dan 5 jaar geen bezwaar heeft, moet worden vastgesteld dat appellant bij een beslissing op zijn beroep tegen dit besluit geen procedureel belang meer heeft.

Bij zijn beroep tegen verweersters besluit van 29 juli 2005 heeft appellant, nu dit besluit is ingetrokken, evenmin meer belang.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing artikel 8:75 van de Awb een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen van appellant niet ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

08.05