Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
06-68 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om vergoeding voor de kosten van een extra vakantie afgewezen omdat betrokkene niet op grond van zijn psychische oorlogsinvaliditeit is aangewezen op de gevraagde voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/68 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 1 juni 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 november 2005, kenmerk JZ/P/70/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006. Daar is appellant niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1939, in 1994 door verweerster op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. De lichamelijke klachten, te weten eczeem, lage rugklachten, neusseptum correctie en polyposis zijn toen niet aanvaard als staande in het vereiste verband met de ondervonden oorlogscalamiteiten. Aan appellant zijn inmiddels toegekend een periodieke uitkering, alsmede diverse bijzondere voorzieningen waaronder een tegemoetkoming deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV).

In mei 2005 heeft appellant bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om hem een vergoeding voor de kosten van een extra vakantie toe te kennen. Appellant heeft daartoe aangevoerd - samengevat - dat hij vanwege jaarlijks terugkerende hevige spanningen welke te wijten zijn aan de vervolging rust moet zoeken doch daar de financiƫle middelen niet voor heeft.

Bij besluit van 14 september 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet op grond van zijn psychische oorlogsinvaliditeit is aangewezen op de gevraagde voorziening.

Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 32 van de Wet worden de extra kosten van, op grond van het aanvaarde oorlogsletsel noodzakelijke, (preventieve) geneeskundige behandeling en verpleging en de daarmee direct verband houdende extra kosten van noodzakelijke voorzieningen volledig vergoed.

Naar de Raad al eerder heeft overwogen gaat verweerster in gevallen als het onderhavige terecht uit van de opvatting

- samengevat - dat voor een vergoeding van de kosten van extra vakantie op grond van artikel 32 van de Wet eerst dan plaats is indien sprake is van een voorgeschreven vakantie/rustperiode na een ondergane medische behandeling van het oorlogsletsel dan wel ter voorkoming van een acute en ernstige verergering daarvan.

In het geval van appellant heeft verweerster in overeenstemming met adviezen van haar geneeskundig adviseurs geoordeeld dat een medische noodzaak in evengenoemde zin zich niet voordoet. Bij die adviezen, waarbij ook rekening is gehouden met recente informaties afkomstig van de huisarts van appellant, alsmede met in het verleden vergaarde medische inlichtingen verstrekt door de medici waarbij appellant onder behandeling is (geweest), is gemotiveerd aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn voor een dreigende psychische decompensatie.

De Raad heeft in de beschikbare medische en andere gegevens geen aanknopingspunt kunnen vinden om het standpunt van verweerster onjuist te oordelen. De Raad onderschrijft daarbij het standpunt van verweerster dat een huisbezoek door een van haar geneeskundig adviseurs - gelijk door appellant verzocht - geen meerwaarde zou opleveren, integendeel slechts een extra psychische belasting voor appellant.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) E. Heemsbergen.