Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
045407 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Toepasselijke recht. Schending inlichtingenverplichting. Hoogte van het vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5407 WWB

04/5433 WWB

04/5436 WWB

04/5437 WWB

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellanten heeft mr. G.J. Boven, advocaat te Leusden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 2 september 2004, reg.nrs. 04/1795 VV, 04 2090, 04/2091, 04/2092 VV.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20 december 2005, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen met onderbrekingen bijstand sinds 1965, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een echtpaar. Voorts is aan hen bij besluiten van 30 december 1999 en 14 december 2000 voor diverse kosten bijzondere bijstand verleend.

In het kader van een onderzoek van de regiopolitie Utrecht zijn bij doorzoeking van de woning van appellanten onder meer aangetroffen een grote partij gereedschappen, een [auto-merk 1], een [auto-merk 2], alsmede een bedrag van ruim € 350.000,-- aan contanten. Naar aanleiding van het daardoor gerezen vermoeden dat appellant werkzaamheden verrichtte, heeft de sociale recherche van de gemeente Amersfoort een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is informatie ingewonnen bij de Rijksdienst voor het wegverkeer en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

18 februari 2004.

De onderzoeksresultaten zijn voor gedaagde aanleiding geweest om bij een tweetal besluiten van 16 maart 2004, zoals met een aanpassing van de wettelijke grondslag gehandhaafd bij besluit van 20 juli 2004 (besluit I), het recht op bijstand met ingang van 1 februari 2004 te beëindigen, het recht op (algemene en bijzondere) bijstand over de periode van 19 juli 1996 tot en met 31 januari 2004 op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) in te trekken en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2004 gemaakte kosten van (algemene en bijzondere) bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 94.612,73. De besluitvorming berust op de overweging dat als gevolg van schending van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting het recht van appellanten op bijstand, als bedoeld in artikel 7 van de Abw (periode van 19 juli 1996 tot en met 31 december 2003) en artikel 11, eerste lid, van de WWB (vanaf 1 januari 2004) niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 31 maart 2004, gehandhaafd bij besluit van (eveneens) 20 juli 2004 (besluit II) heeft gedaagde een door appellanten op 19 februari 2004 ingediende aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat zij niet verkeren in bijstandsbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB, aangezien zij beschikken over vermogen als bedoeld in artikel 34 van de WWB, dat hoger is dan de in het derde lid van dat artikel genoemde vermogensgrens.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - met afwijzing van de verzoeken om een voorlopige voorziening - de beroepen tegen de besluiten I en II ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voorzover het betreft de ongegrondverklaring van hun beroepen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Besluit I

Het toepasselijke recht

Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2004, LJN AT4358, volgt dat gedaagde vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om over te gaan tot intrekking van het recht op bijstand en terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand en voorts dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

Gedaagde heeft in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 januari 2004 geen gebruik gemaakt van de in het overgangsrecht van de WWB opgenomen mogelijkheid om al voor 1 januari 2005 uitvoering te geven aan WWB-bepalingen die van onmiddellijke inwerkingtreding op 1 januari 2004 zijn uitgezonderd. Dit betekent dat de inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de Abw van toepassing is gebleven gedurende de gehele in geding zijnde periode.

De beëindiging en de intrekking

Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw (voor de periode van 19 juli 1996 tot en met 31 december 2003) en artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB (vanaf 1 januari 2004) moet onder vermogen worden verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin (bij de aanvang van de bijstandsverlening) beschikt of redelijkerwijs kan beschikken verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.

Op grond van de bevindingen van het onderzoek stelt de Raad vast dat appellanten vanaf 19 juli 1996 in het bezit zijn geweest van verschillende auto’s met een waarde van (ruim) boven het voor hen van toepassing zijnde vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 54, aanhef en onder c, van de Abw (voor de periode van 19 juli 1996 tot en met 31 december 2003) en artikel 34, derde lid, aanhef en onder c, van de WWB (vanaf 1 januari 2004). Rekening houdend met de negatieve vermogensbestanddelen die appellanten bij de rechtmatigheidsonderzoeken hebben opgegeven, is de hoogte van het vermogen in de vorm van de auto’s gedurende de gehele in geding zijnde periode, waaronder begrepen de datum van ingang waarvan het recht op bijstand is beëindigd, zodanig geweest, dat appellanten reeds hierom geen recht hadden op bijstand. Gelet hierop behoeven de vragen of appellant werkzaamheden verrichtte en of appellanten redelijkerwijs konden beschikken over de in hun woning aangetroffen contanten geen bespreking meer.

Uit het vorenstaande volgt dat besluit I, voorzover daarbij het recht op bijstand is beëindigd en ingetrokken op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, berust op een ondeugdelijke motivering. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dat niet onderkend. Met vernietiging van de aangevallen uitspraak in zoverre, zal de Raad, doende wat de voorzieningenrechter had behoren te doen, het beroep tegen besluit I gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voorzover het betreft de beëindiging van het recht op algemene bijstand en de intrekking van het recht op algemene en bijzondere bijstand.

De Raad ziet evenwel aanleiding om op basis van artikel 8:72, derde lid, van de Abw de rechtsgevolgen van de te vernietigen gedeelten van besluit I in stand te laten en overweegt daartoe als volgt. Appellanten hebben het autobezit in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende inlichtingenverplichting niet aan gedaagde gemeld, als gevolg waarvan zij over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand hebben ontvangen. Gedaagde was op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB derhalve - zij het op een andere grond - bevoegd tot intrekking van het recht op bijstand en heeft naar het oordeel van de Raad ook in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken. Aangezien appellanten ook per 1 februari 2004 niet in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerden is voorts het recht op uitkering terecht met ingang van 1 februari 2004 beëindigd.

De terugvordering

Met betrekking tot de terugvordering overweegt de Raad dat de rechtbank besluit I in zoverre terecht in stand heeft gelaten, nu gedaagde op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de gemaakte kosten van de ten onrechte verleende bijstand terug te vorderen. Ook naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik kunnen maken.

Besluit II

Met betrekking tot de afwijzing van de - nieuwe - aanvraag overweegt de Raad dat op grond van de beschikbare informatie moet worden vastgesteld dat appellanten op 19 februari 2004 - nog afgezien van het vermogen in de vorm van de [auto-merk 1] die op dat moment nog in hun bezit was - met de [auto-merk 2] beschikten over een vermogen dat de toepasselijke vermogensgrens voor een echtpaar te boven gaat. De Raad acht het, gelet op de prijs van de aanschaf van deze auto in november 2003, alleszins aanvaardbaar dat gedaagde bij de vaststelling van de hoogte van het vermogen is uitgegaan van een waarde van de [auto-merk 2] van € 18.000,--, verminderd met een ingevolge de gemeentelijke richtlijnen voor een auto vrij te laten bedrag van € 2.250,--.

Gedaagde heeft voorts terecht geen rekening gehouden met de schuld van € 12.500,-- die appellanten stellen te hebben aan [appellant]. Niet is immers gebleken dat aan deze schuld een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden, zodat het geen voor de toepassing artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB relevant te achten schuld betreft.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de hoogte van het vermogen van appellanten in de weg stond aan bijstandsverlening, zodat gedaagde de aanvraag van 19 februari 2004 terecht heeft afgewezen.

Dit betekent dat het hoger beroep tegen de afwijzing van de aanvraag niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd.

Proceskosten

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is beslist op het beroep tegen besluit I;

Verklaart het beroep tegen besluit I gegrond;

Vernietigt besluit I voorzover het betreft de beëindiging van het recht op bijstand met ingang van 1 februari 2004 en de intrekking van het recht op (algemene en bijzondere) bijstand over de periode van 19 juli 1996 tot en met 31 januari 2004;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde gedeelten van besluit I in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is beslist op het beroep tegen besluit II;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Amersfoort;

Bepaalt dat de gemeente Amersfoort aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 139,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.