Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8568

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
05-2090 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenredigheid opgelegde straf van berisping met gepleegd plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2090 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Financiën, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 2 maart 2005, 04/763 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 1 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D.C. Coppens, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant een reactie is gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J.V.J. van der Smissen, werkzaam bij de Belastingdienst. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. Coppens.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad, op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als controlefunctionaris bij de Belastingdienst [regio], kantoor [plaatsnaam].

Op 20 juni 2003 heeft P., werkzaam als schoonmaakster in het gebouw waar betrokkene werkzaam was, klachten geuit over het gedrag van betrokkene. P. stelde door betrokkene lastig te zijn gevallen in die zin dat hij haar in het gebouw volgde, haar ongewenst telefonisch lastig viel en haar ongewenst thuis bezocht. Daarop hebben twee leiding-gevenden op 23 juni 2003 met betrokkene hierover een gesprek gevoerd. Betrokkene heeft alles ontkend en zijn verbazing over deze klacht uitgesproken, omdat deze schoon-maakster en haar moeder iedere dag op zijn kamer kwamen om daar een sigaret te roken.

De leidinggevenden hebben betrokkene dringend geadviseerd om het contact met P. terug te brengen tot nul, de zaak eerst te laten bekoelen en, indien betrokkene behoefte heeft aan een gesprek met P., daar in ieder geval een collega bij te laten zijn.

1.2. Op 19 november 2003 heeft P. zich bij een leidinggevende erover beklaagd dat betrokkene haar weer lastig viel. Genoemd werden onder meer het ontvangen op 14 november 2003 en 18 november 2003 van twee SMS-berichten, afkomstig van de mobiele telefoon van betrokkene, waarvan één met een seksueel getinte lading, het herhaaldelijk zoeken van telefonisch contact, waarbij oneerbare voorstellen werden gedaan en het hinderlijk volgen van haar door betrokkene.

1.3. Betrokkene, die door zijn leidinggevenden is geconfronteerd met deze klachten, heeft in alle opzichten ontkend na 23 juni 2003 op wat voor wijze dan ook contact te hebben gezocht met P. Wel heeft hij haar, toen hij haar na de vakantie op kantoor tegenkwam in de gang, gevraagd naar de in juni 2003 door haar gedane beschuldigingen, waarop zij toen ontkennend had gereageerd.

1.4. Bij besluit van 13 april 2004, zoals gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 20 september 2004, heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat betrokkene plichtsverzuim heeft gepleegd omdat hij tijdens zijn werk onvoldoende professionele afstand heeft gehouden ten opzichte van een collega, waarvoor de disciplinaire straf van berisping is opgelegd. Daarnaast is betrokkene vanwege het dienstbelang overgeplaatst naar een ander kantoor, welke overplaatsing in beroep niet is aangevochten.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant, voorzover gericht tegen het opleggen van een disciplinaire straf, gegrond verklaard en het besluit van 20 september 2004 in zoverre vernietigd, met voorts bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten. Daartoe is overwogen, kort gezegd, dat de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende basis boden voor de conclusie dat betrokkene zich aan het hem verweten plichtsverzuim schuldig had gemaakt, waarbij de rechtbank de door appellant ingebrachte anonieme verklaringen terzijde heeft gelegd, omdat betrokkene daardoor in zijn procespositie was geschaad. Het door appellant ter zitting gedane aanbod om alsnog de uitgewerkte verklaringen over te leggen werd door de rechtbank afgewezen.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De door appellant in hoger beroep ingebrachte uitgewerkte verklaringen zijn in de bezwarenfase reeds in essentie weergegeven. Voorts heeft betrokkene niet nader onderbouwd waarom hij vanwege het tijdstip waarop die uitgewerkte verklaringen zijn ingebracht in zijn verdediging is geschaad. Verder neemt de Raad in aanmerking dat betrokkene weliswaar in de bezwarenfase tevergeefs heeft gevraagd om de uitgewerkte verklaringen, maar vervolgens in beroep pas ter zitting bij de rechtbank uitdrukkelijk heeft geageerd tegen het niet overleggen ervan. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad geen aanleiding de door appellant in hoger beroep alsnog ingebrachte uitgewerkte verklaringen wegens strijd met de goede procesorde terzijde te leggen.

3.2. Appellant heeft met betrekking tot het vaststellen van het plichtsverzuim terecht betoogd dat daarvoor niet dezelfde bewijsmiddelen gelden als in het strafrecht. Anderzijds zal wel met een voldoende mate van zekerheid moeten vaststaan dat de bewuste gedragingen zijn begaan. De enkele constatering dat dit aannemelijk is, acht de Raad onvoldoende.

3.3. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat de twee SMS-berichten door betrokkene aan P. zijn verzonden, nu er ten aanzien daarvan teveel onzekerheden zijn. Zo heeft de rechtbank terecht overwogen dat de in de berichten als afzender genoemde naam “Harry” niet een naam is waaronder betrokkene bekend staat en dat het geenszins is uit te sluiten dat een ander de telefoon heeft gebruikt. Ook kunnen de SMS-berichten, zoals betrokkene heeft betoogd, door derden met vermelding van betrokkenes telefoonnummer via internet aan P. zijn verzonden.

Verder blijkt uit de gedingstukken, waaronder de overgelegde uitgewerkte verklaringen, niet eenduidig dat betrokkene P. hinderlijk volgde en dat betrokkene op 10 november 2003 tegenover P. een onwelvoeglijke opmerking maakte. De Raad wijst er wat betreft dit laatste voorval op dat uit de verklaring van M. niet blijkt dat P. aanwezig was bij het maken van de - op zichzelf zeker niet passende - opmerking.

3.4. De Raad oordeelt anders met betrekking tot de in de periode van begin augustus 2003 tot 10 oktober 2003 met betrokkenes kantoortelefoon gepleegde telefoontjes naar de mobiele telefoon van P.

In deze periode is, blijkens de door appellant opgevraagde specificaties van telefoon-gesprekken, 22 maal, waarvan verscheidene malen langdurig, met de bij betrokkene in gebruik zijnde kantoortelefoon gebeld naar de mobiele telefoon van P. Op de bewuste dagen was betrokkene blijkens het tijdregistratiesysteem op kantoor, terwijl uit die specificaties tevens blijkt dat op de dagen waarop deze gesprekken zijn gevoerd met betrokkenes toestel eveneens allerlei andere gesprekken zijn gevoerd. Betrokkene moet worden toegegeven, dat ook collega’s met zijn toestel kunnen hebben gebeld, maar betrokkene heeft, hoewel daarom gevraagd teneinde zijn belgedrag nader te kunnen bekijken, aan zijn leidinggevende niet een lijst van door hem regelmatig gebelde privé-telefoonnummers willen geven. Voorts heeft appellant meegedeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat op de bewuste dagen een ander regelmatig en langdurig op betrokkenes toestel belde, hetgeen, zoals appellant terecht heeft betoogd, toch opgevallen zou moeten zijn. Gelet op een en ander acht de Raad met voldoende zekerheid komen vast te staan dat betrokkene in bedoelde periode regelmatig naar de mobiele telefoon van P. heeft gebeld.

3.5. Naar het oordeel van de Raad had het voor betrokkene, gelet op de aard van de klachten van P. en na het op 23 juni 2003 door zijn leidinggevenden gegeven dringende advies, duidelijk moeten zijn dat hij zich diende te onthouden van elk contact met P. Door desondanks toch regelmatig telefonisch contact met P. op te nemen, heeft betrokkene zich niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, zodat appellant in zoverre terecht heeft vastgesteld dat sprake is van plichtsverzuim. De door appellant naast de overplaatsing opgelegde straf, te weten een berisping, welke straf appellant ook aangewezen vindt voor het gepleegde belgedrag, acht de Raad niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim, zoals dat is komen vast te staan.

3.6. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de opgelegde disciplinaire straf ten onrechte heeft vernietigd. Het daartegen ingestelde beroep dient, met vernietiging in zoverre van de aangevallen uitspraak, ongegrond te worden verklaard. Wel acht de Raad termen aanwezig, nu betrokkene in de bezwarenfase niet de beschikking kreeg over de uitgewerkte verklaringen, om de door de rechtbank gegeven bepalingen met betrekking tot de proceskosten en het griffierecht in stand te laten.

3.7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbende op het opleggen van een disciplinaire straf;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 september 2004 in zoverre ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.W. Loots.