Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8559

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
05-3097 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens verstoorde verhoudingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3097 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 april 2005, 03/1731 en 04/1163 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Krijger, juridisch adviseur te Baarle-Nassau, hoger beroep ingesteld.

Namens het College heeft mr. A. Th. de Walle, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W. Krijger. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.Th. de Walle.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is vanaf 15 maart 1990 werkzaam geweest als ambtenaar bij de gemeente Wageningen, laatstelijk in de functie van economisch medewerker onroerend goed en projectontwikkeling bij de afdeling Administratie en Vastgoed van de sector Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu.

1.2. Bij besluit van 19 november 2001 heeft de raad van de gemeente Wageningen aan het College toestemming verleend om appellant met toepassing van artikel 8:8 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) te ontslaan wegens verstoorde arbeidsverhoudingen. Daarbij is tevens besloten dat aan appellant een eenmalige ontslaguitkering van f 50.000,- (€ 22.689,01) netto wordt toegekend.

1.3. Bij besluit van 27 november 2001 heeft het College appellant met ingang van 1 januari 2002 ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO.

1.4. Bij besluit van 18 juni 2003 is onder meer het bezwaar van appellant tegen de toegekende ontslagvergoeding ongegrond verklaard.

1.5. Bij het bestreden besluit van 19 april 2004 heeft het College het bezwaar tegen het ontslagbesluit van 27 november 2001 ongegrond verklaard.

1.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voorzover hier van belang, de beroepen van appellant tegen de toegekende ontslagvergoeding en het ontslagbesluit ongegrond verklaard. De rechtbank was met het College van oordeel dat de verhoudingen zodanig waren verstoord dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het College kon worden verlangd. De door de gemeenteraad toegekende vergoeding achtte de rechtbank niet onredelijk.

2. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 19 april 2004, waarbij het ontslag is gehandhaafd, ongegrond is verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1.1. Bij het ontslagbesluit van 27 november 2001 heeft het College overwogen dat appellant sedert 8 februari 1999 situatief arbeidsongeschikt wordt geacht, welke ongeschiktheid geldt voor de gehele ambtelijke organisatie en zal blijven voortduren zolang het ambtelijk dienstverband in stand blijft. Aan deze ongeschiktheid ligt, aldus het College, een arbeidsconflict ten grondslag, dat zijn oorsprong vindt in 1997, toen er onenigheid is ontstaan met betrekking tot de inhoud van appellants werkzaamheden en de salariëring ervan. Vervolgens heeft het College geweigerd appellant toestemming te verlenen tot het verrichten van nevenactiviteiten (het uitoefenen van een eigen bedrijf als makelaar onroerend goed). Na bezwaar heeft het College besloten appellant alsnog, zij het onder voorwaarden, hiervoor toestemming te verlenen. Het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit is door de rechtbank wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Vanwege de aanvankelijke weigering stelt appellant schade te hebben geleden, voor welke schade hij de gemeente Wageningen aansprakelijk houdt.

3.1.2. Voorts hebben zich enkele incidenten voorgedaan, die hebben geleid tot een besluit van 29 juli 1998, waarbij appellant de disciplinaire straf van berisping is opgelegd. Het beroep van appellant tegen het besluit van het College, waarbij de bezwaren van appellant daartegen ongegrond zijn verklaard, is door de rechtbank wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.1.3. Toen appellant na een langere periode van arbeidsongeschiktheid op 1 februari 1999 het werk weer hervatte, is er een meningsverschil ontstaan over een aan appellant door zijn leidinggevende opgelegd “spreekverbod”. Op 8 februari 1999 heeft appellant een afdelingsoverleg verlaten en zich aansluitend (opnieuw) ziek gemeld. Nadien heeft appellant geen werkzaamheden meer voor de gemeente verricht.

3.2. Gelet op de hiervoor genoemde gebeurtenissen en gezien ook de opstelling van appellant hierbij, is de Raad van oordeel dat het College zich op het standpunt kon stellen dat er sprake was van verstoorde verhoudingen en dat dit de reden was voor de situatieve arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 9 februari 1999. Voorzover appellant meent dat aan die ongeschiktheid andere oorzaken ten grondslag liggen, doet dit, nu geen sprake was van ziekte of gebrek, niet af aan de, ook door appellant niet betwiste, conclusie dat op dat moment de verhoudingen verstoord waren.

3.3. Gezien het vorenstaande kan de Raad het College volgen in het oordeel dat appellant als gevolg van de verstoorde verhoudingen niet meer terug kon in de organisatie. De Raad wijst er daarbij op dat appellant door de bedrijfsarts ongeschikt is bevonden voor de gehele organisatie en dat reïntegratie binnen de gemeente niet zinvol werd geacht. Appellant heeft zich bij dit oordeel neergelegd, althans heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend. Het enkele feit dat de personen met wie de verhoudingen waren verstoord inmiddels niet meer werkzaam zijn bij de gemeente Wageningen, ontneemt niet de betekenis aan dit oordeel van de bedrijfsarts.

3.4. De Raad komt dan ook, evenals de rechtbank, tot de conclusie dat het College bevoegd was appellant met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO te ontslaan. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het College van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, komt dat ook voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

21.05