Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
13-06-2006
Zaaknummer
05-2143 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk ontslag. Evenredigheid gepleegd plichtsverzuim en opgelegde straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2143 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2005, 04/76 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Namens het College is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006. Zoals bericht, is appellant niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.R. van Waveren Hogervorst-Vuurboom en A.M.E.A. van Mil, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten omstandigheden.

1.1. Appellant heeft als buschauffeur van het Gemeentevervoerbedrijf (GVB) tijdens zijn dienstuitvoering op 9 april 2003 met zijn mobiele telefoon - ‘handsfree’- getelefoneerd. Op grond van de bedrijfsregels van het GVB is het gebruik van de mobiele telefoon tijdens de dienstuitvoering streng verboden. Gedaagde heeft appellant wegens de geconstateerde en op zichzelf niet betwiste overtreding de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd, in die zin dat dit ontslag slechts ten uitvoer wordt gelegd indien betrokkene binnen een periode van twee jaar zich opnieuw schuldig maakt aan soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. Na bezwaar heeft gedaagde de straf gehandhaafd bij het bestreden besluit van

4 december 2003.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant de bedrijfsregels heeft overtreden door te telefoneren tijdens de busrit en dat er dus sprake is van plichtsverzuim. Daaraan doet niet af dat appellant uit automatisme zou hebben gehandeld en slechts ‘handsfree’ belde. De rechtbank achtte de opgelegde straf niet onevenredig omdat sprake is van ernstig plichtsverzuim en appellant wist dat gedaagde streng op handhaving van de bedrijfsregels toezag en ervoor gewaarschuwd had dat overtreding kan leiden tot strafontslag.

3. Namens appellant is aangevoerd dat de rechtbank niet is overgegaan tot een volledige toetsing van de door gedaagde gemaakte afweging van belangen en onvoldoende heeft beoordeeld of evenredigheid bestaat tussen de ernst van het plichtsverzuim en de sanctie. In dit verband is gewezen op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar appellants opvatting hanteert gedaagde in de praktijk slechts twee sancties, te weten voorwaardelijk en onvoorwaardelijk ontslag, terwijl het toepasselijke ambtenarenreglement ook minder ingrijpende sanctiemaatregelen kent. Appellant acht de opgelegde sanctie onevenredig zwaar.

4. Namens gedaagde is gemotiveerd verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

5. Naar aanleiding van deze standpunten van partijen overweegt de Raad verder als volgt.

5.1. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (CRvB 28 april 1994, TAR 1994, 143) verwerpt de Raad het beroep van appellant op artikel 6 van het EVRM. De rechtbank heeft de juiste maatstaf gehanteerd, te weten of er geen onevenredigheid bestaat tussen de ernst van het plichtsverzuim en de opgelegde straf.

5.2. De Raad kan zich ook verenigen met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een onevenredig zware straf. Gedaagde mag uit een oogpunt van verkeersveiligheid en wettelijke regelgeving daaromtrent en uit een oogpunt van klantenservice groot belang hechten aan stipte naleving van de in dat verband vastgestelde (bedrijfs)regels. Appellant was bij brief van 21 februari 2003 op de hoogte gesteld van die aangescherpte regels, van het strenge toezicht op handhaving daarvan en van de mogelijkheid van strenge bestraffing van overtreding, waaronder met strafontslag. Gedaagde heeft mede in het licht daarvan een afweging gemaakt en zijn keuze voor de op één na zwaarste straf met verwijzing naar de omstandigheden van het specifieke geval deugdelijk gemotiveerd.

6. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.