Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8403

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
13-06-2006
Zaaknummer
05-1359 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1359 NABW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 februari 2005, 04/181 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal (hierna: College).

Datum uitspraak: 4 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dalen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Nieuwland, werkzaam bij de gemeente Stadskanaal.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan [C. H.] (hierna: [H.]) is algemene bijstand toegekend over de periode van 12 juni 1999 tot en met 25 maart 2003 naar de norm voor een alleenstaande ouder. Voorts is haar in 2001 bijzondere bijstand verleend.

Naar aanleiding van een bij de gemeente Stadskanaal binnengekomen anonieme tip dat [H.] zou samenwonen met appellant, heeft de sociale recherche Noord- en Oost-Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [H.] verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht en is een getuige gehoord. Voorts zijn observaties gedaan, zijn inlichtingen ingewonnen omtrent het waterverbruik in de woning van appellant en zijn [H.] en appellant verhoord.

Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het College het recht op bijstand van [H.] over de periode van

12 februari 2001 tot en met 25 maart 2003 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 29.679,36 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 20 augustus 2003 is het hiervoor vermelde bedrag met toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) mede van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 23 december 2003 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 december 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In het onderhavige geding dient de Raad te beoordelen of de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 84, tweede lid, van de Abw. Daarin is bepaald, dat indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, van de Abw als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat appellant in de in geding zijnde periode met [H.] een gezamenlijke huishouding in de zin van de Abw heeft gevoerd. Ingevolge artikel 3, derde lid van de Abw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Abw, voorzover van belang, wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: (…)

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander; (…).".

Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar het oordeel van de Raad, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Abw, de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht. De Raad vindt voor deze opvatting mede steun in het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2001 (LJN AD3569). Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Appellant en [H.] hebben op 22 mei 2003 tegenover sociaal rechercheurs verklaard dat zij van 12 februari 2001 tot het moment van de laatste hercontrole op doordeweekse dagen in de woning van [H.] overnachtten en in de weekends in de woning van appellant verbleven. Blijkens de gedingstukken heeft de hier bedoelde hercontrole plaatsgevonden op

25 maart 2003. Appellant en [H.] hebben deze verklaringen na voorlezing ondertekend. De Raad ziet geen aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellant en [H.] hun verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk hebben afgelegd. Voor de Raad staat dan ook genoegzaam vast dat appellant en [H.] ten tijde hier van belang een zodanig gebruik van hun woningen hebben gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Aangezien de hier van belang zijnde periode aanvangt op 12 februari 2001 en blijkens de gedingstukken eerst op 7 juli 2002 een kind uit de relatie van appellant en [H.] is geboren, dient in dit geval tevens te worden nagegaan of is voldaan aan het criterium van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan. Met de gemachtigde van het College is de Raad van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Uit de verklaringen van appellant en [H.] komt naar voren dat [H.] boodschappen deed en kookte voor appellant, dat appellant boodschappen deed en in het weekend ook voor [H.] waste en dat beiden samen op bezoek gingen bij kennissen of familie.

Met het vorenstaande is gegeven dat het College terecht heeft aangenomen dat appellant en [H.] in de periode van

12 februari 2001 tot en met 25 maart 2003 een gezamenlijke huishouding voerden.

Nu gelet op de gedingstukken voorts vaststaat dat de verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat [H.] de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw. Het College was derhalve gehouden het bedrag van de ten onrechte aan [H.] verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen.

In hetgeen door en namens appellant is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat het College niet de bevoegdheid toekwam om van mede-terugvordering van appellant af te zien.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.