Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8395

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
13-06-2006
Zaaknummer
05-648 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dagloon WW-uitkering. Is het dagloon terecht berekend naar het vanaf relevante datum geïndexeerde dagloon?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/648 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 december 2004 , 04/1150 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 13 april 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft M.J. Veldhuizen, werkzaam bij Novel Groep Aalten, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2006. Voor appellant is verschenen mr. W.J. Belder, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens betrokkene zijn verschenen zijn echtgenote,

[naam echtgenote], en M.J. Veldhuizen, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkeloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Betrokkene werkte tot 1 maart 2002 gedurende 34,2 uur per week bij de Stichting [naam Stichting]. Per 1 maart 2002 werkte hij gedurende 16 uur per week bij dezelfde stichting. In verband hiermee heeft appellant bij besluit van 9 april 2002 aan betrokkene met ingang van 1 maart 2002 een uitkering ingevolge de WW toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op

€ 135,91. Ingaande 1 juli 2002 is het dienstverband met de Stichting [naam Stichting] geheel verbroken en bij besluit van 5 september 2002 heeft appellant ingaande 1 juli 2002 een WW-uitkering toegekend aan betrokkene, waarbij het dagloon € 71,42 bedroeg. In januari 2003 heeft betrokkene bij een andere werkgever een dienstverband aanvaard, waarbij zijn salaris lager was dan in het dienstverband bij de Stichting [naam Stichting], en ingaande 1 januari 2004 is betrokkene weer volledig werkloos. Bij besluit van 13 februari 2004 heeft appellant met ingang van 1 januari 2004 aan betrokkene een WW-uitkering toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 142,47. Dit betreft het -geïndexeerde- dagloon dat per 1 maart 2002 is toegekend. Bij besluit van 6 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd en daartoe overwogen dat als primair ontslag in de zin van artikel 17, derde lid, van de Dagloonregels IWS heeft te gelden het ontslag per 1 maart 2002 voor 18,2 uur en per 1 juli 2002 voor 16 uur.

Appellant kan zich hier niet mee verenigen en heeft onder meer aangevoerd dat er per 1 juli 2002 ten onrechte een nieuw dagloon is vastgesteld. Het verlies van arbeidsuren per 1 juli 2002 volgde immers binnen zes maanden na het eerdere verlies, zodat deze verliezen dienden te worden samengeteld en er geen nieuw dagloon had moeten worden vastgesteld.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 17, eerste tot en met het derde lid, van de Dagloonregels IWS luidt als volgt:

1. Met afwijking voor zoveel nodig van het bepaalde in de voorgaande artikelen zijn ten aanzien van de berekening van het dagloon voor de werknemer, die na ontslag uit een dienstbetrekking hetzij onmiddellijk, hetzij binnen 12 maanden na de ingang van dat ontslag, opnieuw arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard, de volgende bepalingen van dit artikel van toepassing, tenzij het bedoelde ontslag valt binnen de in het derde lid genoemde periode van 36 maanden, welke ingevolge een eerdere toepassing van dat lid ten aanzien van de werknemer in acht moet worden genomen.

2. Voor toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a. ontslag: iedere beëindiging van een dienstbetrekking;

b. primair ontslag: het in het vorige lid bedoelde ontslag;

c. primaire werkloosheid: de werkloosheid die in onmiddellijke aansluiting aan het primaire ontslag is ontstaan dan wel zou ontstaan, indien de werknemer niet onmiddellijk na het ontslag andere arbeid had aanvaard;

d. primair dagloon: het dagloon, dat voor de werknemer zou hebben gegolden, indien de primaire werkloosheid onafgebroken zou hebben voortgeduurd.

3. Indien het dagloon, uitsluitend berekend naar de in het eerste lid bedoelde na het primaire ontslag aanvaarde arbeid, lager zou zijn dan het primaire dagloon, wordt niettemin gedurende elke door ontslag ontstane werkloosheidsperiode, welke binnen 36 maanden na het primaire ontslag aanvangt, het dagloon vastgesteld op een bedrag, dat niet lager is dan het primaire dagloon. Indien de werknemer op de datum van het primaire ontslag 57,5 jaar of ouder is, is de in de vorige zin genoemde termijn van 36 maanden niet van toepassing.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten, kan de Raad niet anders concluderen dan dat het ontslag van betrokkene per 1 maart 2002 als enige heeft te gelden als het primaire ontslag in de zin van artikel 17 Dagloonregels IWS. Deze bepaling laat niet toe dat een combinatie van twee verschillende ontslagen als primair ontslag wordt aangemerkt. Hieraan kan niet afdoen dat aan betrokkene per 1 juli 2002 een WW-uitkeringsrecht is toegekend, waarbij een nieuw -en hoger- dagloon is vastgesteld, nu met appellant moet worden geconcludeerd dat deze vaststelling ten onrechte heeft plaatsgevonden.

Uit het voorgaande volgt dat appellant terecht het dagloon per 1 januari 2004 heeft berekend naar het vanaf 1 maart 2002 geïndexeerde dagloon. De hoogte van dat dagloon staat in rechte vast, zodat de Raad de juistheid daarvan als een gegeven moet aanvaarden.

Daaraan kan niet afdoen dat appellant ter zitting heeft medegedeeld dat twijfel is gerezen aan de juistheid van het per

1 maart 2002 vastgestelde dagloon en dat de mogelijkheid van herziening van dat dagloon thans wordt onderzocht.

Het hoger beroep van appellant slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep moet ongegrond worden verklaard.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2006.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.)A. Kovács.