Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8282

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
12-06-2006
Zaaknummer
05-1334 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Relatie met verdachte in strafzaak, en van wie gebleken is dat verdachte contacten heeft met personen uit het criminele milieu. Veiligheidsrisico voor de organisatie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Besluit algemene rechtspositie politie 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1334 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2005, 03/3335 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond (hierna: Korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 8 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.K.J. Plaisier, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Namens de Korpsbeheerder is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Plaisier voornoemd. De Korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van Hassel-van Roon, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, en H. Stroeve, werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is met ingang van 14 augustus 2000 aangesteld bij het politiedistrict Rotterdam-West en was laatstelijk vanaf 1 juli 2001 werkzaam als medewerker intake & service. Bij brief van 7 februari 2003 heeft de Korpsbeheerder aan appellant medegedeeld dat hij voornemens was hem op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) ontslag te verlenen. Daartoe is overwogen dat appellant door het aangaan van een relatie met [betrokkene], die verdachte was in een strafzaak en van wie gebleken is dat zij contacten heeft met personen uit het criminele milieu, en omdat hij ondanks herhaalde waarschuwingen en een uitdrukkelijk contactverbod het contact met haar niet heeft verbroken, een veiligheidsrisico is voor de politieorganisatie.

1.2. Nadat appellant zijn zienswijze over het voornemen tot ontslag kenbaar heeft gemaakt, heeft de Korpsbeheerder bij besluit van 3 maart 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 20 oktober 2003, aan appellant met ingang van 4 april 2003 op de hiervoor vermelde grond eervol ontslag verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat door de weigering van appellant aan de rechtbank toestemming te verlenen om van de door de Korpsbeheerder met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij brief van 21 oktober 2004 ingezonden stukken kennis te nemen, het de rechtbank onmogelijk is gemaakt het besluit van de Korpsbeheerder om appellant aan te merken als een veiligheidsrisico wegens het aanhouden van zijn contacten met [betrokkene] te beoordelen in het licht van de bij het onderzoeksteam destijds bekende informatie en dat de gevolgen hiervan voor rekening van appellant dienen te komen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant, door het contactverbod te negeren en zijn contacten met [betrokkene] voort te zetten, ondanks de daaraan verbonden risico’s, blijk heeft gegeven van eigenschappen van karakter, geest en gemoed die hem ongeschikt maken voor de uitoefening van zijn functie als politieambtenaar. De stelling van appellant dat het contactverbod als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer wordt ervaren, is door de rechtbank niet onderschreven omdat aan ambtenaren in het algemeen en aan politieambtenaren in het bijzonder, onder omstandigheden door het bevoegd gezag beperkingen kunnen worden opgelegd in de uitoefening van burgerlijke vrijheden. Met betrekking tot de vraag of de Korpsbeheerder een andere maatregel had moeten toepassen heeft de rechtbank overwogen dat, omdat appellant niet voornemens was het contact te verbreken, het veiligheidsrisico ook bij schorsing en overplaatsing zou blijven bestaan, zodat het toepassen van een andere maatregel dan ontslag niet aan de orde was.

3.1. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet nader heeft gemotiveerd waarom de gevolgen van de weigering van zijn toestemming om kennis te nemen van de met een beroep op artikel 8:29 van de Awb door de Korpsbeheerder ingezonden stukken voor zijn rekening dienen te komen. Voorts heeft hij gesteld dat hij steeds duidelijk en transparant heeft aangegeven op grond waarvan hij van mening was dat hij, ondanks een eventueel gememoreerd veiligheidsrisico, zijn relatie met [betrokkene] toch zou mogen en kunnen continueren. Voorts is aangevoerd dat de Korpsbeheerder minder rigoureuze maatregelen had kunnen treffen om het gestelde veiligheidsrisico op te lossen in afwachting van de uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek naar [betrokkene], te meer nu inmiddels is gebleken dat zij door de politierechter is vrijgesproken en dat het tegen het vonnis ingestelde beroep is ingetrokken. Appellant heeft aangegeven [betrokkene] hulp te hebben geboden in een voor haar uiterst moeilijke situatie en dat de Korpsbeheerder daar rekening mee had moeten houden.

3.2. De Korpsbeheerder heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld en handhaaft zijn standpunt dat appellant een veiligheidsrisico vormde voor de politieorganisatie vanwege het aanhouden van zijn contacten met [betrokkene]

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ten aanzien van de grief van appellant dat de rechtbank ten onrechte niet nader heeft gemotiveerd waarom de gevolgen van de weigering van de toestemming om kennis te nemen van de met een beroep op artikel 8:29 van de Awb door de Korpsbeheerder ingezonden stukken voor zijn rekening dienen te komen, stelt de Raad vast dat de rechtbank uitdrukkelijk heeft overwogen dat zij uitgaat van de juistheid van de beoordeling van de Korpsbeheerder dat appellant een veiligheidsrisico vormde als gevolg van zijn contacten met [betrokkene], omdat appellant geen andersluidende informatie heeft verschaft. Gelet op de informatie zoals die in het besluit in eerste aanleg besloten ligt, in samenhang met de informatie die de Korpsbeheerder heeft gegeven in de bezwaarfase, alsmede het uitblijven van een concrete onderbouwing van appellant, heeft de Korpsbeheerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van een veiligheidsrisico. Hetgeen door de rechtbank in dit verband is overwogen, wordt door de Raad geheel onderschreven, nu ook in hoger beroep door appellant geen gegevens zijn overgelegd die tot een andersluidend oordeel zouden kunnen leiden. Mitsdien kan deze grief van appellant niet slagen.

4.2. Wat betreft de gedragingen van appellant stelt de Raad vast dat op basis van de voorhanden zijnde gedingstukken genoegzaam naar voren is gekomen dat er sprake was van een veiligheidsrisico voor de politieorganisatie dat voortvloeide uit de contacten met [betrokkene], die verdacht werd van bedreigingen van een wethouder en politici en van het onderhouden van contacten met personen in het criminele milieu, in welk verband nog sprake was van een lopend strafrechtelijk onderzoek. Appellant heeft, na te zijn gewaarschuwd en na het opleggen van het contactverbod met [betrokkene] die inmiddels in detentie verbleef, ook blijkens zijn brief van 2 februari 2003 aan de Korpsbeheerder, geen keuze willen maken voor het verbreken van het contact in het belang van zijn werk. Naar het oordeel van de Raad heeft de Korpsbeheerder zich, gelet op de binnen de politieorganisatie geldende eisen van betrouwbaarheid en integriteit, dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet beschikt over eigenschappen, mentaliteit en instelling, welke vereist zijn voor een goede functievervulling binnen die organisatie.

4.3. Het standpunt van appellant dat betekenis dient te worden toegekend aan het feit dat [betrokkene] in de strafrechtelijke procedure is vrijgesproken en dat een minder vergaande maatregel dan ontslag aangewezen was, wordt door de Raad evenmin onderschreven. In dat verband is van belang dat ten tijde van de contacten tussen appellant en [betrokkene] het strafrechtelijk onderzoek nog gaande was en dat contacten tijdens dat onderzoek, welke ook bij het opleggen van andere maatregelen hadden kunnen voortduren, een veiligheidsrisico voor de politieorganisatie opleverden. Dat appellant [betrokkene] in een moeilijke situatie heeft willen helpen, kan hieraan niet afdoen.

4.4. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de Korpsbeheerder op goede gronden tot het ontslag van appellant heeft besloten. Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

20.05