Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8089

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
12-06-2006
Zaaknummer
04-6476 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiebeschrijving en functiewaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6476 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 oktober 2004, 04/386 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het College is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2006. Appellant is verschenen en gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en J. Sengers en W.J.L. Kruf, beiden werkzaam bij de gemeente Bergen op Zoom.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Naar aanleiding van een reorganisatie van de sector Maatschappelijke Dienstverlening is appellant per 1 januari 2002 geplaatst in de functie van Kwaliteits-medewerker+ bij het bureau Kwaliteit en Ondersteuning van de afdeling Inkomen. Bij besluit van 14 oktober 2002 is een beschrijving van deze functie vastgesteld, is deze functie gewaardeerd en heeft salarisinpassing per 1 januari 2002 plaatsgevonden. Gelet op het waarderingsresultaat bleef appellant ingeschaald in schaal 9.

1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen alle onderdelen van dit besluit. Naar aanleiding van de bezwaren van appellant en anderen is de functiebeschrijving aangepast. Bij besluit van 15 juli 2003 heeft het College een gewijzigde functiebeschrijving van appellant vastgesteld en het besluit van 14 oktober 2002 ingetrokken.

1.3. In navolging van de in het besluit van 15 juli 2003 opgenomen bezwaarclausule heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Nadat appellant in september 2003 uit correspondentie met betrekking tot de behandeling van zijn bezwaar had begrepen dat slechts zijn bezwaar tegen de functiebeschrijving zou worden behandeld en niet het bezwaar tegen de functiewaardering, heeft hij verzocht om een besluit van het College omtrent deze gescheiden behandeling van zijn bezwaren. Het College heeft dit bevestigd bij brief van 19 september 2003, waarbij als reden voor de gescheiden behandeling is aangegeven dat de waarderingscommissie eerst wil weten of de beschrijving onherroepelijk is, omdat de functie recent ook al was voorgelegd.

1.4. Appellant heeft hierop verzocht uit rechtspositioneel oogpunt met spoed een waarderings- en inschalingsbesluit te nemen en heeft tegen de gang van zaken bezwaar gemaakt. Het College heeft bij brief van 11 november 2003 aan hem meegedeeld dat zijn verzoek om over te gaan tot functiewaardering wordt afgewezen en dat een waarderingsbesluit zal worden genomen zodra de beschrijving van de door hem beklede functie onherroepelijk vaststaat. Ook hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.5. Bij besluit van 23 december 2003 is het bezwaar van appellant tegen het besluit tot vaststelling van de functiebeschrijving ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 23 december 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de functiebeschrijving niet geheel recht doet aan de werkelijke inhoud van zijn functie. Met name zijn bijdrage aan beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie, zowel ten aanzien van het strategisch, het tactische als het operationele beleid en vertaling daarvan naar de uitvoeringspraktijk zou onvoldoende tot uitdrukking komen in de beschrijving. Voorts heeft appellant de door het College gevolgde procedure bestreden, waarbij de eerdere besluiten tot waardering en inpassing na indiening van zijn bezwaarschrift zijn ingetrokken en vervolgens geen nieuwe besluiten daaromtrent zijn genomen.

3.2. Namens het College is aangevoerd dat in het geval van appellant is afgeweken van de normale procedure door niet na de beschrijving van de functie deze meteen ook te waarderen, maar met waarderen te wachten totdat de functiebeschrijving onherroepelijk is geworden. Dit heeft als reden dat in de afgelopen jaren beschrijvingen en waarderingen van de functie van appellant tot veel bezwaar- en beroepsprocedures hebben geleid. Om deze reden zijn ook de eerdere beschrijving en de daaraan verbonden besluiten tot waardering en tot inpassing ingetrokken. Appellant is verweten dat, gezien de voorgeschiedenis en de aard van zijn grieven, aan het instellen van beroep geen zuiver oogmerk ten grondslag ligt, nu het er alleen maar om gaat te procederen over één punt en om op die wijze een maximale score te bereiken. Ten aanzien van de inhoud van de functiebeschrijving zijn de grieven van appellant gemotiveerd bestreden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Allereerst kan de Raad het namens het College naar voren gebrachte standpunt dat appellant geen zuiver oogmerk heeft gehad bij het instellen van het onderhavige (hoger) beroep niet volgen. De Raad kan niet inzien dat het bereiken van een hogere salarisschaal een onzuiver oogmerk betreft. Dat appellant in het verleden meermalen gebruik heeft gemaakt van zijn rechtsmiddelen kan hieraan niet afdoen.

4.2. De Raad is voorts van oordeel dat, nu bij het besluit van 15 juli 2003 is beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 oktober 2002, het besluit van 15 juli 2003 ten onrechte door het College als een nieuw primair besluit is aangemerkt. Er is dus ook ten onrechte een nieuwe bezwaarprocedure gevolgd. Het bezwaarschrift van appellant had op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door het College als beroepschrift moeten worden doorgestuurd naar de rechtbank. Het besluit van het College van 23 december 2003 komt dus voor vernietiging in aanmerking.

4.3. Bij het op bezwaar genomen besluit van 15 juli 2003, zoals nader gemotiveerd bij het besluit van 23 december 2003, is slechts een beslissing genomen met betrekking tot het bezwaar van appellant tegen de beschrijving van zijn functie. Op zijn bezwaren tegen de waardering en de inschaling is ten onrechte niet beslist, hetgeen leidt tot vernietiging van dit besluit. De Raad overweegt hierbij dat, nu de bezoldiging van de ambtenaar ingevolge de artikelen 3:1:1 en 3:1:1:13 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Bergen op Zoom wordt vastgesteld naar de op grond van functiewaardering bepaalde schaal (tenzij de wijze van functioneren zich daartegen verzet), het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel wordt geacht om de ambtenaar langdurig in onzekerheid te laten omtrent de aan zijn functiebeschrijving verbonden waardering. Ook de artikelen 3:1:1:4 en 3:1:1:5 van deze regeling wijzen op een samenhangend geheel van functiebeschrijving en -waardering. Dit blijkt ook uit de normaal door het College gevolgde procedure, waarbij beschrijving en waardering van de functie en de bijbehorende inschaling kort na elkaar plaatsvinden. Hier komt nog bij dat de gescheiden trajecten in dit geval hebben geleid tot procedurele onduidelijkheid en complexe en deels foutieve besluitvorming.

5. De Raad zal thans bezien of de rechtsgevolgen van het besluit van 15 juli 2003, voorzover daarbij de functiebeschrijving in gewijzigde vorm is vastgesteld, in stand kunnen blijven.

5.1. De grief van appellant dat in de beschrijving een van zijn taken ontbreekt, namelijk vertaling van beleid naar procedures, processen en werkinstructies, treft doel. Tussen partijen is niet in geding dat de functie van appellant die taak omvat en dat deze taak ook was opgenomen in de bij het primaire besluit van 14 oktober 2002 vastgestelde functiebeschrijving. De Raad acht het ook niet juist dat na bezwaar ten nadele van appellant die taak uit de bestreden functiebeschrijving is verwijderd. Dit klemt temeer, nu in andere functies vertaling van beleid in die zin wel als taak is opgenomen en het blijkens de gedingstukken juist de bedoeling is geweest de beschrijving van de functie van appellant in overeenstemming te brengen met de beschrijving van de functie van beleidsmedewerker afdeling Werk/inkoopcoördinator.

5.2. De Raad kan appellant niet volgen in zijn grief met betrekking tot de beschrijving van zijn bijdrage aan het beleid. Gezien de wijze waarop de sector Maatschappelijke Dienstverlening is ingericht, zoals blijkt uit het inrichtingsplan van die sector van december 2001, vindt strategische en tactische beleidsvorming met name plaats in het zogenoemde beleidsatelier. De kwaliteitsmedewerker neemt weliswaar deel aan beleidsvorming, maar dit betreft de uitvoeringsaspecten. Appellant heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat hij structureel deelneemt aan strategische en tactische beleidsvorming. De genoemde voorbeelden van deelname aan het beleid in “tandems” kunnen de Raad niet tot een ander oordeel brengen, nu ook daarbij voor appellant de nadruk ligt op de uitvoeringskant van het beleid.

5.3. De onder 5. gestelde vraag moet, gezien hetgeen onder 5.1. is overwogen, ontkennend worden beantwoord.

6. Gezien het vorenstaande dienen de besluiten van het College van 15 juli 2003 en 23 december 2003 te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij die besluiten in stand zijn gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking. Het College zal een nieuw besluit op alle bezwaren van appellant dienen te nemen, met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen. De Raad vertrouwt erop dat het College dit besluit thans met voortvarendheid zal nemen.

7. Er is de Raad ten slotte niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 december 2003 gegrond;

Vernietigt de besluiten van het College van 15 juli 2003 en 23 december 2003;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de gemeente Bergen op Zoom aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 321,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

26.05