Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
12-06-2006
Zaaknummer
04-5243 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om betrokkene in de groepsfunctie F te benoemen. Komt de mate van zelfstandigheid waarmee betrokken structureel werkzaamheden heeft verricht overeen met het niveau van de tweede en derde fase van groepsfunctie F?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5243 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 augustus 2004, 04/310 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: Staatssecretaris)

Datum uitspraak: 1 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Namens de Staatssecretaris is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dijkgraaf. De Staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.V.J. van der Smissen, werkzaam bij het Ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam bij de Douane, sedert 1 juli 1997 in team 6 van de Douanepost Heerlen. Hij is ingedeeld in de zogenoemde groepsfunctie E, waarvan de functietypering is opgenomen in het door gedaagde gehanteerde Handboek Organisatie en Formatie. Aan deze functie is een salarislijn E verbonden, die is afgeleid van de schalen 7 tot en met 9 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984).

1.2. Bij brief van 18 juni 1999 heeft appellant de Staatssecretaris verzocht hem te benoemen in de groepsfunctie F. Een functionaris van de groepsfunctie F verricht naar aard en inhoud meer complexe werkzaamheden. Voor deze groepsfunctie geldt de salarislijn F, die is afgeleid van de schalen 9 tot en met 11 van het BBRA 1984.

1.3. In onderdeel 1.1.2. van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst is bepaald dat aanspraak bestaat op bezoldiging volgens de aan een hogere groepsfunctie verbonden salarisschaal (salarislijn), als aan de betrokken ambtenaar structureel werkzaamheden van een hogere groepsfunctie zijn opgedragen. Daarvan is sprake als, voorzover hier van belang, met het uitvoeren van de werkzaamheden die behoren tot de fasen 2 en 3 van de hogere groepsfunctie ten minste 50% van de werktijd van de groepsfunctionaris is gemoeid.

1.4. Namens de Staatssecretaris is afwijzend beslist op het verzoek van appellant, omdat niet gezegd kan worden dat appellant structureel werkzaamheden heeft uitgevoerd die tot de groepsfunctie F behoren. Het door appellant tegen die afwijzing gemaakt bezwaar is bij besluit van 5 juni 2000 ongegrond verklaard.

1.5. Bij uitspraak van 10 juli 2003, nr. 01/2416 AW, heeft deze Raad het besluit van 5 juni 2000 vernietigd alsmede de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 maart 2001, nr. AWB 00/935 AW I, waarbij dat besluit in stand was gelaten. De Raad heeft daartoe overwogen dat appellant een begin van bewijs had geleverd dat hij heeft voldaan aan de norm dat ten minste 50% van de werktijd is gemoeid met werkzaamheden die behoren tot de fasen 2 en 3 van het F-niveau, terwijl de Staatssecretaris had nagelaten aannemelijk te maken dat appellant niettemin niet aan die norm had voldaan. De Raad was tevens van oordeel dat de Staatssecretaris ondoorzichtig en niet adequaat had gereageerd op de door appellant aangedragen gegevens. Derhalve heeft de Raad bepaald dat de Staatssecretaris een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen hij in zijn uitspraak heeft overwogen.

1.6. Naar aanleiding van de hierboven genoemde uitspraak heeft de Staatssecretaris het thans bestreden besluit van 27 januari 2004 genomen. Daarbij heeft de Staatssecretaris de weigering om appellant in de groepsfunctie F te benoemen andermaal gehandhaafd, thans echter op grond van de overweging dat appellant volgens een vaststaande procedure diende te werken, waarbij een groepsfunctionaris F verantwoordelijk was voor de fiscaal-technische kwaliteit (vakinhoudelijke review) en een groepsfunctionaris I (accountant) verantwoordelijk was voor de controletechnische kwaliteit, zodat niet kan worden gezegd dat appellant werkzaamheden van het F-niveau heeft verricht.

1.7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard.

2. Appellant kan zich met dat oordeel van de rechtbank niet verenigen. In hoger beroep heeft hij het standpunt ingenomen dat volgens het in 1999 geldende Handboek BIV/AO zowel de groepsfunctionaris E als de groepsfunctionaris F onder toezicht werken, waardoor de zo cruciaal geachte zelfstandigheid van de F-functionaris maar betrekkelijk is. Daarnaast heeft appellant naar voren gebracht dat de door de rechtbank gevolgde redenering: “Geen overgang naar een hogere groepsfunctie als er onder toezicht van een hogere functionaris wordt gewerkt” in strijd is met het beginsel van de individuele toetsing.

2.1. De Staatssecretaris heeft de grieven van appellant gemotiveerd bestreden.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Allereerst stelt de Raad - met de rechtbank en appellant - vast dat de Staatssecretaris, in het thans bestreden besluit aan de afwijzing van het verzoek van appellant een andere motivering ten grondslag heeft gelegd dan die welke aan de orde was in de onder 1.5. genoemde uitspraak van de Raad. Aangezien de bezwaarfase is bedoeld als een mogelijkheid voor het bestuursorgaan om tot een volledige heroverweging van het besluit in primo te komen, kan de Raad - anders dan namens appellant is bepleit - deze handelwijze van de Staatssecretaris niet voor onjuist houden.

3.2. De in geding zijnde groepsfuncties zijn ingevolge het Handboek Organisatie en Formatie elk onderverdeeld in drie fasen, waarbij de werkzaamheden naarmate deze zwaarder worden in een hogere fase zijn ingedeeld. Voorts overlappen de werkzaamheden in de twee onderhavige groepsfuncties elkaar in die zin dat het niveau van de werkzaamheden van fase drie in groepsfunctie E overeenkomt met het niveau van de werkzaamheden in fase één van groepsfunctie F.

3.3. De Raad dient de vraag te beantwoorden of de Staatssecretaris bij het bestreden besluit op goede gronden zijn weigering heeft gehandhaafd om appellant in de groepsfunctie F te benoemen. Daarbij is het geschil toegespitst op de vraag of de mate van zelfstandigheid waarmee appellant in de thans in geding zijnde periode structureel werkzaamheden heeft verricht, overeenkomt met het niveau van de tweede en derde fase van groepsfunctie F.

3.4. Tussen partijen is niet in geschil dat naast het verschil in complexiteit van werkzaamheden, het belangrijkste onderscheid tussen de werkzaamheden op E- en F-niveau is dat het E-niveau meer uitvoerend van aard is.

3.5. De werkzaamheden die appellant verricht bestaan uit controle van bedrijfsadministraties. Blijkens de gedingstukken geldt daarbij de in het Handboek BIV/AO vastgelegde procedure dat de E-functionaris de door hem vervaardigde complete controledossiers moet overdragen aan een F-functionaris, welke functionaris moet controleren of de dossiers voldoen aan de kwalitatieve fiscaal-technische vereisten. Indien aan die vereisten wordt voldaan, worden de dossiers door de F-functionaris geparafeerd; indien niet aan die vereisten wordt voldaan, wordt door de F-functionaris contact opgenomen met de E-functionaris.

De door de F-functionaris geparafeerde controledossiers worden overgedragen aan de accountant (I-functionaris). Deze functionaris zal de dossiers slechts paraferen wanneer zij aan de kwalitatieve controletechnische vereisten voldoen. Daarna gaan de dossiers terug naar de E-functionaris. Pas nadat zowel de F-functionaris als de accountant de controledossiers van hun paraaf hebben voorzien, kan de E-functionaris met de afhandeling van die dossiers beginnen.

3.6. Naar het oordeel van de Raad komt uit het voorgaande onmiskenbaar naar voren dat de E-functionaris bij het verrichten van al zijn werkzaamheden aan toezicht is onderworpen.

In de lijn van zijn uitspraak van 4 mei 2000, nrs. 98/271 AW en 98/1461 AW, is de Raad van oordeel dat onder de hierboven genoemde omstandigheden de door appellant verrichte werkzaamheden - ook al zouden deze naar aard en zwaarte met het F-niveau overeenkomen - op het punt van de zelfstandigheid, in de zin van het dragen van verantwoordelijkheid voor de eigen verrichte werkzaamheden, niet beantwoorden aan de voor groepsfunctie F geldende vereisten. Niet kan worden gezegd dat appellant ten tijde hier van belang zijn werkzaamheden met dezelfde mate van zelfstandigheid als de

F-functionaris heeft verricht.

3.7. Daarbij wijst de Raad erop dat, aangezien de werkzaamheden van de F-functionaris volgens de Staatssecretaris alleen door de accountant worden gecontroleerd, hetgeen door appellant niet wordt ontkend, er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat ook de F-functionaris de tot zijn groepsfunctie behorende fiscaal-technische werkzaamheden niet in zelfstandigheid dient uit te voeren. Anders dan appellant betoogt, is er in dit opzicht wel degelijk verschil tussen hem en de F-functionaris.

3.8. De grief van appellant dat op zijn werk nimmer correcties zijn aangebracht, doet niet af aan de voor appellant geldende procedure van toezicht en controle zoals deze in 3.5. is weergegeven.

4. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad van oordeel is dat de Staatssecretaris op goede gronden zijn weigering om appellant in de groepsfunctie F te benoemen heeft gehandhaafd. Mitsdien moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) O.C. Boute.

HD

16.05