Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX8075

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
12-06-2006
Zaaknummer
04-4904 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens blijvende ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4904 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2004, 04 - 897 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel De Baarsjes van de gemeente Amsterdam (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 1 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006. Appellante is in persoon verschenen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Jurkovich en M.H. Mannesse, beiden werkzaam bij het stadsdeel De Baarsjes.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was werkzaam als sociaal raadsvrouw bij het stadsdeel De Baarsjes van de gemeente Amsterdam in een betrekking van 28,32 uur per week.

Nadat appellante zich op 18 september 2000 had ziek gemeld, is tegen het einde van 2000 bezien of zij kon worden gereïntegreerd. Aangezien appellante zich niet in staat achtte haar eigen werkzaamheden te hervatten, heeft zij zich gericht op het zoeken van een baan in het onderwijs. Omstreeks eind augustus 2001 heeft zij een aanbod om als invalleerkracht op een school te kunnen gaan werken afgewezen en tevens besloten verder af te zien van een functie in het onderwijs.

1.2. Op 10 september 2001 is appellante op basis van arbeidstherapie gedurende 15 uur per week weer in haar eigen werk als sociaal raadsvrouw gaan werken. Omdat op grond van de psychische situatie van appellante twijfel bestond of zij voor dit werk geschikt was, is aan een psychiater verzocht een onderzoek terzake in te stellen. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat appellante niet in staat is tot het uitvoeren van haar eigen werkzaamheden, maar dat zij wel gedurende 16 uur per week belastbaar is met andere, gangbare arbeid.

1.3. Teneinde (nader) inzicht te krijgen in de arbeidsmogelijkheden van appellante heeft het Dagelijks Bestuur in februari 2002 aan ArbeidsPsychologieAmsterdam (APA) gevraagd een sterkte/zwakteanalyse ten aanzien van appellante te maken.

Aangezien appellante niet bereid was het rapport van APA aan het Dagelijks Bestuur ter beschikking te stellen, heeft dit bestuur zich op het standpunt gesteld dat het hem onmogelijk werd gemaakt om nog herplaatsingsinspanningen ten aanzien van appellante te verrichten.

1.4. Gelet hierop heeft het Dagelijks Bestuur bij brief van 12 maart 2002 op grond van het vijfde lid van artikel 1121 van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) gevraagd om een oordeel omtrent de vraag of er bij appellante sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking als in het tweede lid, onder a en b, van genoemd artikel bedoeld.

Bij brief van 11 juli 2002 heeft het UWV het Dagelijks Bestuur laten weten dat van zodanige ongeschiktheid sprake is.

1.5. Dit heeft het Dagelijks Bestuur gebracht tot het nemen van zijn besluit van 19 augustus 2002, waarbij appellante met toepassing van het eerste lid van artikel 1121 van het ARA met ingang van 1 november 2002 ontslag is verleend wegens blijvende ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking.

Bij het bestreden besluit van 14 januari 2003 heeft het Dagelijks Bestuur dit besluit, na door appellante daartegen gemaakt bezwaar, gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. In haar beroepschrift in hoger beroep beperkt appellante zich tot de stelling dat de haar aangeboden functie in het onderwijs, welke zij heeft afgewezen, geen passende functie betrof.

Dienaangaande merkt de Raad op dat aan deze stelling als niet relevant voor de beoordeling van dit geschil voorbij kan worden gegaan nu het ontslag, naar het Dagelijks Bestuur uitdrukkelijk heeft bevestigd, niet (mede) berust op de omstandigheid dat appellante voormelde functie niet heeft aanvaard.

3.2. Gelet op het ter zitting verhandelde overweegt de Raad nog dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat appellante niet geschikt was voor de vervulling van haar eigen functie van sociaal raadsvrouw, ook niet in een omvang van 16 uur per week. Hiertoe wordt verwezen naar het vermelde onder 1.2 en 1.4. De Raad tekent hierbij nog aan dat appellante met ingang van 17 september 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is toegekend en dat haar bij brief van 11 juli 2002 van het UWV is medegedeeld dat zij onveranderd als 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd beschouwd.

3.3. Voorts wijst de Raad erop dat aan appellante aanvankelijk op haar verzoek medewerking is verleend bij het zoeken naar een werkkring binnen het onderwijs. Toen appellante dit zelf niet meer wilde, lag het, gelet op het tweede lid, aanhef en onder c, van artikel 1121 van het ARA, in beginsel op de weg van het Dagelijks Bestuur om verder onderzoek naar arbeidsmogelijkheden voor appellante binnen de gemeente te doen. Appellante heeft evenwel, ook in bezwaar, nagelaten het onder 1.3. vermelde

APA-rapport - waarvan zij het belang voor haar herplaatsing heeft kunnen en moeten beseffen - aan dit bestuur ter hand te stellen. Nu het Dagelijks Bestuur dientengevolge niet de beschikking had over het APA-rapport met de daarin opgenomen sterkte/zwakteanalyse, was het voor hem onmogelijk om op zinvolle wijze te zoeken naar een voor appellante geschikte functie. In dit licht heeft het Dagelijks Bestuur niet onjuist of onredelijk gehandeld door niet verder om te zien naar arbeidsmogelijkheden voor appellante.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) O.C. Boute.

HD

11.05