Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX7956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
12-06-2006
Zaaknummer
04-4615 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens opheffing van functie. Voldoende zorgvuldig herplaatsingsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4615 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2004, 02/3217 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van bestuur van de Universiteit Leiden (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.M. ten Berge, verbonden aan ABVAKABO/FNV, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.A. van der Veer, verbonden aan ABVAKABO/FNV. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. van Veldhoven-Westra, J.M. Juddu, P.J.J. van Daalen en A.B. Cortel, allen werkzaam bij de Universiteit Leiden (hierna: Universiteit).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was voor 38 uur per week werkzaam bij het Centraal Rekeninstituut (CRI) van de Universiteit in de functie van systeemoperator. Per 1 januari 1999 is deze functie wegens een reorganisatie opgeheven.

1.2. Omdat het zich reeds aanstonds liet aanzien dat het moeilijk zou worden om overtollig geworden medewerkers van het CRI, onder wie appellante, binnen de Universiteit in een passende functie te herplaatsen, heeft het College met Luba Intermediair B.V. (Luba) een contract gesloten voor bemiddeling bij uitplaatsing en tussentijds ter beschikking stellen van derden van voormalige medewerkers van het CRI. Aldus is appellante per 1 januari 1999 gedetacheerd bij Luba. In 1999 is appellante door Luba twee keer bij een externe werkgever geplaatst. Appellante heeft om haar moverende redenen van een aanstelling bij deze werkgevers afgezien.

1.3. Van oktober 1999 tot mei 2000 is appellante arbeidsongeschikt geweest. Daarna zijn de begeleidingsactiviteiten van Luba weer hervat. Nadat Luba tot de conclusie was gekomen dat verder zoeken naar een functie niet zinvol meer was, heeft Luba haar bemiddeling per 1 mei 2001 gestaakt. Vervolgens is de herplaatsing van appellante weer volledig ter hand genomen door het bureau Mobiliteit en Opleiding van de Universiteit, waarbij geen passende functie voor appellante is gevonden.

1.4. Bij besluit van 28 november 2001 is aan appellante met toepassing van artikel 12.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (RWOO), met ingang van 1 maart 2002 ontslag verleend wegens opheffing van de functie.

1.5. Bij besluit van 19 juli 2002 (hierna: bestreden besluit) heeft het College het tegen het ontslagbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat het verleende ontslag ingaat op 29 juli 2002.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Op grond van het tweede lid van artikel 12.5 van het RWOO kan een ontslag als hier aan de orde slechts plaatsvinden, indien het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken het personeelslid binnen de instelling andere passende werkzaamheden op te dragen, waarbij het uitgangspunt geldt dat voorrang wordt gegeven aan vrouwelijke personeelsleden.

3.2. Evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak is de Raad van oordeel dat een voldoende zorgvuldig herplaatsingsonderzoek heeft plaatsgevonden. Voor appellante is zowel binnen als buiten de Universiteit gedurende een periode van ongeveer drie jaren naar een passende functie gezocht. Voor de binnen de Universiteit beschikbare ICT-functies kwam appellante niet in aanmerking, omdat zij niet aan de gestelde functie-eisen voldeed en ook niet binnen redelijke termijn kon voldoen, aangezien voor die functies een HBO-opleiding Informatica was vereist. Appellante heeft een Mavo-opleiding, aangevuld met enkele cursussen ICT, gericht op haar vervallen functie. Door het College is in dit verband genoegzaam verduidelijkt dat de aard van de binnen de Universiteit voor-komende ICT-functies, waaronder die van systeembeheerder, door de ontwikkelingen op dat terrein is veranderd en dat deze functies in zwaarte zijn toegenomen. Voorts acht de Raad het zorgvuldig dat het College ten behoeve van de herplaatsing buiten de Universiteit een daarvoor deskundige organisatie, Luba, heeft ingeschakeld. Uit verslagen van de voortgangsgesprekken met appellante blijkt dat Luba vanaf begin 1999 zeer actief voor appellante heeft bemiddeld, totdat in mei 2001 moest worden geconcludeerd dat verdere bemiddeling niet zinvol meer was.

3.3. Daarbij wijst de Raad erop dat appellante door haar opstelling met betrekking tot de werktijden waaraan een nieuwe functie diende te voldoen, gedeeltelijk overdag en gedeeltelijk in de avonduren werken, de mogelijkheid om haar te herplaatsen aanzienlijk heeft verkleind en dat zij mede om die reden ook een tweetal haar door externe werkgevers aangeboden functies niet heeft aanvaard.

3.4. Door appellante is aangevoerd dat zij na de reorganisatie door het College ten onrechte niet is geplaatst in de functie van serverbeheerder, netwerkbeheerder of technicus Onderhoud en Service, naar welke functies zij in het begin van het reorganisatieproces had gesolliciteerd. Appellante heeft tegen de op deze sollicitaties genomen afwijzende besluiten geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte onaantastbaar zijn geworden.

3.5. Hetgeen appellante heeft gesteld omtrent het feit dat zij destijds niet door het College in de gelegenheid is gesteld door het lopen van een stage in werktijd haar HBO-opleiding verpleegkunde af te ronden, acht de Raad voor de beoordeling van de herplaatsings-inspanningen van het College niet van belang. Niet alleen heeft appellante destijds hiertegen geen bezwaar gemaakt, doch deze kwestie heeft zich ook zeer geruime tijd voor de reorganisatie van het CRI, in 1992, voorgedaan. Niet ten onrechte heeft het College gemeend dat het weer oppakken van deze omscholing naar verpleegkundige functies in 1998 een te langdurig en kostbaar traject zou zijn.

3.6. De Raad merkt naar aanleiding van hetgeen door appellante verder nog aan de orde is gesteld op dat hetgeen zich met betrekking tot plaatsingsmogelijkheden na de ontslagdatum heeft voorgedaan voor de beoordeling of het ontslag is gegeven na een voldoende zorgvuldig herplaatsingsonderzoek, niet van betekenis kan zijn.

4. Gelet op het vorenstaande was het College bevoegd appellante op de gebezigde grond te ontslaan. De Raad ziet in het betoog van appellante geen aanknopingspunten voor de conclusie dat van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik kon worden gemaakt.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit stand houden.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

HD

20.05