Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX6539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2006
Datum publicatie
02-06-2006
Zaaknummer
04-6494 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verrichten van werkzaamheden als tolk binnen de eigen politieregio en voor het eigen korps.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6494 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 oktober 2004, nr. 00/359 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, (hierna: Korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 18 mei 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. van der Bent, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De Korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Bent. De Korpsbeheerder is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is van 1 april 1994 tot 1 september 1999 bij het politiekorps Rotterdam-Rijnmond in dienst geweest als economisch beleidsmedewerker. Reeds vanaf 1976 verrichtte appellant tolk- en vertaalwerkzaamheden voor hoofdzakelijk politie en justitie en hij is dit ook tijdens zijn dienstverband bij het korps Rotterdam-Rijnmond blijven doen.

1.2. Bij brief van 27 maart 1997 is aan appellant mededeling gedaan van het besluit dat het verrichten van tolkwerkzaamheden binnen het regiokorps door medewerkers van het korps niet wenselijk werd geacht en werd beëindigd. Daarbij is eveneens aangegeven dat voor appellant, hoewel hij geen publieksuitvoerende functie had, geen uitzondering werd gemaakt.

1.3. Bij uitspraak van 2 juni 1999 heeft de rechtbank een beroep tegen de beslissing op een tegen dit besluit ingediend bezwaar gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

1.4. Bij het in dit geding bestreden besluit van 6 januari 2000 heeft de Korpsbeheerder opnieuw op het bezwaarschrift beslist. Bij deze beslissing heeft de Korpsbeheerder het bezwaar, voorzover dat gericht was tegen het niet meer mogen verrichten van tolkwerkzaamheden voor het korps, ongegrond verklaard. Voorzover het bezwaar was gericht tegen de omstandigheid dat ook vertaalwerkzaamheden voor het korps, alsmede tolk- en vertaalwerkzaamheden voor justitie zijn stopgezet, is het bezwaar gegrond verklaard.

1.5. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voorzover zijn bezwaar daarbij ongegrond was verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat voor het maken van een onderscheid tussen het tolken voor het korps en voor justitie door de Korpsbeheerder redelijke argumenten zijn aangedragen, zodat diens besluit een marginale toetsing kan doorstaan.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt vast dat, evenals in de procedure bij de rechtbank, slechts in geding is het besluit van de Korpsbeheerder voorzover daarmee het verrichten van werkzaamheden door appellant als tolk voor het korps Rotterdam-Rijnmond is stopgezet.

3.2. De Raad overweegt dat het de Korpsbeheerder op zichzelf vrijstond om binnen de hem gegeven discretionaire ruimte een beleid vast te stellen of te wijzigen, waarbij het aan politiefunctionarissen niet of niet langer is toegestaan om werkzaamheden als tolk te verrichten binnen de eigen politieregio en voor het eigen korps. Zoals in het aan appellant gerichte besluit van 27 maart 1997 is aangegeven, is de belangrijkste overweging hierbij geweest dat mogelijke (schijn van) rolvermenging bij een verhoor in de eigen regio niet in overeenstemming is met een zorgvuldige procesgang. Daarnaast is in aanmerking genomen dat het verrichten van deze werkzaamheden mogelijk risico’s kan opleveren met betrekking tot de integriteit. De Raad is van oordeel dat de Korpsbeheerder gelet op deze uitgangspunten bij zijn besluitvorming gebleven is binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

3.3. De Korpsbeheerder heeft in het besluit van 27 maart 1997 tevens te kennen gegeven geen uitzondering te willen maken voor appellant op de grond dat hij in een niet executieve functie werkzaam is. De Raad is van oordeel dat de Korpsbeheerder hiertoe in redelijkheid heeft kunnen komen. De genoemde bezwaren, die aan het tolken door een politiefunctionaris voor het eigen korps verbonden zijn, zijn ook bij een niet executieve status van de tolkende politieman onverminderd geldig.

3.4. Appellant heeft het hoger beroep verder toegespitst op de vraag of het verbod op het door hem verrichten van tolkwerkzaamheden voor het eigen korps wel gerechtvaardigd is, nu het verrichten van deze werkzaamheden voor justitie blijkens het bestreden besluit wel wordt toegestaan, terwijl de feitelijke omstandigheden waaronder het tolken hierbij plaatsvindt veelal hetzelfde zijn als bij het tolken voor het korps.

3.5. De Raad is van oordeel dat het enkele feit dat de Korpsbeheerder geen aanleiding heeft gevonden het tolken in opdracht en voor rekening van justitie in het verbod te betrekken, niet meebrengt dat de Korpsbeheerder ook het tolken voor het korps had moeten toestaan. Appellant is door de meer ruimhartige benadering van de Korpsbeheerder in geval van het tolken voor justitie niet tekort gedaan.

3.6. De Raad neemt hierbij tevens in aanmerking dat weliswaar in sommige gevallen, bij een verhoor door een politieambtenaar en op het politiebureau, de feitelijke context van een verhoor voor justitie en voor het korps wellicht weinig verschilt, doch dat het tolken ten dienste van en in opdracht van justitie veelal ook in een geheel andere setting plaatsvindt, zoals bij de rechter-commissaris of ter terechtzitting.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) O.C. Boute.

HD

27.04