Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX6504

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
01-06-2006
Zaaknummer
05-1970 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering blijvend geheel geweigerd omdat dienstbetrekking is geëindigd zonder dat aan de voortzetting daarvan door betrokkene zodanige bezwaren waren verbonden, dat voortzetting redelijkerwijs niet van hem gevergd zou kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1970 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 22 februari 2005, 04/538 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 april 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. van Wijnckel, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Wijnckel, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegen-woordigen door mr. J.Z. Groenenberg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellant is vanaf 1 december 2001 werkzaam geweest als hoofd administratie bij Dura Vermeer Bouw Zeeland B.V., gevestigd te Terneuzen (hierna: de werkgever). Bij beschikking van 5 februari 2004 heeft de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst met appellant met ingang van 4 maart 2004 ontbonden, onder toekenning aan appellant van een vergoeding van € 22.500,-- bruto en een vergoeding van € 1.000,-- inclusief BTW terzake van kosten van rechtsbijstand.

Op 5 maart 2004 heeft appellant bij het Uwv een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 23 april 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 12 juli 2004, heeft het Uwv de uitkering met ingang van 1 april 2004 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd omdat de dienstbetrekking is geëindigd zonder dat aan de voortzetting daarvan door appellant zodanige bezwaren waren verbonden, dat voortzetting redelijkerwijs niet van hem gevergd zou kunnen worden. Daartoe is overwogen dat van appellant had mogen worden verwacht dat hij inhoudelijk verweer tegen het ontbindingsverzoek zou hebben gevoerd, zodat ontbinding mogelijk voorkomen had kunnen worden. Omdat appellant heeft volstaan met het voeren van pro forma verweer heeft het Uwv geconcludeerd dat sprake was van het instemmen met, dan wel meewerken aan beëindiging van de dienst-betrekking. Daarmee is appellant de verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos zou worden niet nagekomen, hetgeen tot blijvend gehele weigering van de WW-uitkering heeft geleid. Van verminderde verwijtbaarheid is daarbij niet gebleken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat, gelet op de ontkenning door appellant van het hem door de werkgever verweten disfunctioneren, bezien in het licht van de in beginsel op de werkgever rustende bewijslast, niet gezegd kan worden dat een inhoudelijk verweer tegen het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen kans van slagen zou hebben gehad. Voorts heeft appellant de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat tegen de voortzetting van het dienstverband zodanige bezwaren bestonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Hoewel de rechtbank op zichzelf aannemelijk achtte dat sprake was van een verstoorde verhouding, heeft zij dat enkele feit onvoldoende geacht om een rechtvaardiging ex artikel 24, tweede lid, aanhef onder b, van de WW aanwezig te achten. Voor redenen om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien zodat gedaagde de WW-uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat, nadat appellant bij brief van 2 december 2003 de hem toegezonden concept vaststellingsovereenkomst, waarmee de werkgever beoogde tot beëindiging van het dienstverband te komen, had afgewezen, door toedoen van de werkgever een onwerkbare situatie is ontstaan waardoor appellant uiteindelijk geen andere uitweg meer zag dan mee te werken aan de pro forma ontbinding. In zijn visie zou het voeren van inhoudelijk verweer tegen de gronden waarop het verzoek tot ontbinding berustte zinloos en zonder kans van slagen zijn geweest. Gelet op de feiten en omstandigheden was er volgens appellant sprake van een zodanig verstoorde arbeids-verhouding dat voortzetting daarvan niet van hem kon worden gevergd.

De Raad overweegt als volgt.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 19 april 2000, LJN ZB8749, USZ 2000/166, noopt de sedert 1 augustus 1996 geldende wetgeving, die het opleggen van een maatregel in beginsel verplicht stelt alsook de verstrekkende gevolgen van een maatregel als hier aan de orde, te meer tot een deugdelijk en zorgvuldig onderzoek ter vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden. Dat geldt zeker in een situatie als de onderhavige waarin de werkgever een concept vaststellingsovereenkomst aan appellant heeft voorgelegd, welke door appellant is afgewezen, waarna de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst op neutrale gronden heeft ontbonden.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat het Uwv bij zijn besluitvorming nagenoeg uitsluitend is afgegaan op de stukken die door de werkgever zijn overgelegd in de kantonrechtersprocedure en op basis van de beantwoording van een summiere vraagstelling door de werkgever. Appellant heeft echter het door de werkgever gestelde disfunctioneren in bezwaar gemotiveerd bestreden en heeft daarbij redenen aangegeven die tot een onwerkbare situatie hebben geleid en heeft daarbij ook aangegeven dat de werkgever maatregelen had getroffen die appellant bestempelt als pesterijen en die hem er mede toe hebben gedreven zijn medewerking te verlenen aan de ontbinding van het dienstverband. Nu door het Uwv niet wordt bestreden dat sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding, maar door het Uwv geen nader onderzoek is verricht naar de feitelijke gang van zaken waarbij met name ook de stellingen van appellant ten aanzien van de jegens hem getroffen maatregelen aan de orde had kunnen worden gesteld, teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of en in welke mate appellant in dezen verwijt treft, acht de Raad deze gang van zaken niet aanvaardbaar en is hij van oordeel dat het op de weg van het Uwv had gelegen terzake een nader onderzoek bij de werkgever in te stellen en de werkgever te confronteren met de visie van appellant en de daarbij behorende feiten. Dat een eerste poging daartoe recentelijk zonder succes is gebleven, doet aan die onderzoeksplicht niet af.

De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te vernietigen. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.

Het Uwv zal opnieuw op het bezwaar van appellant dienen te beslissen en daarbij tevens dienen te betrekken het verzoek om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant terzake van aan hem verleende rechtsbijstand, welke worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant beslist;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 139,-- (€ 37,-- + € 102,--) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. van Zoelen-Altunc als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) B. van Zoelen-Altunc.

24/04

BdH