Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX6456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2006
Datum publicatie
02-06-2006
Zaaknummer
05-5823 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUV-uitkering en een voorziening ter zake van huishoudelijke hulp. De causaal aanvaarde psychische klachten hebben niet geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten noch tot een verminderd verdienvermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5823 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], Delaware (USA) (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 18 mei 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 23 juni 2005, kenmerk JZ/R70/2005, door verweerster ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Appellante is, zoals vooraf was aangekondigd, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren [in] 1943 te Amersfoort, heeft in oktober 2003 bij verweerster op grond van de Wet een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering en een voorziening ter zake van huishoudelijke hulp. In dit verband heeft appellante een beroep gedaan op artikel 3, tweede lid, van de Wet en gesteld dat zij gezondheidsklachten heeft die verband houden met het omkomen van haar vader in december 1944 in Auschwitz-Birkenau.

Bij besluit van 6 december 2004, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster de aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellante niet met de vervolgde kan worden gelijkgesteld nu in haar geval geen sprake is van een materiƫle toekenning, omdat haar causaal aanvaarde psychische klachten niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten noch tot een verminderd verdienvermogen dan wel werken tot schade van de gezondheid. Voorts heeft verweerster de voorziening voor huishoudelijke hulp in verband met appellantes psychische klachten niet medisch noodzakelijk geoordeeld.

Appellante heeft zich met dat besluit niet kunnen verenigen. In beroep heeft zij haar standpunt herhaald dat het chronische karakter van haar sinusitisklachten wel degelijk in oorzakelijk verband staat met haar psychische klachten, aangezien zij zich door haar angststoornis nooit op haar gemak voelt, zij daardoor aan slapeloosheid lijdt en zij derhalve altijd moe is. Appellante meent dan ook dat haar psychische klachten haar direct en indirect beperkingen geven in het huishouden.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, in rechte stand kan houden.

De Raad stelt vast dat het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster in overeenstemming is met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviseurs beschikten over het rapport van bij appellante door de psychiater, J.B. Hoyme, verricht psychiatrisch onderzoek alsmede over informatie van de behandelende sector.

Genoemde psychiater heeft bij appellante vastgesteld dat zij lijdt aan een angststoornis welke te relateren is aan het omkomen van haar vader. Uit het hier bedoelde rapport en de overige medische gegevens komt niet naar voren dat de bij appellante aanwezige psychische klachten hebben geleid tot dusdanige beperkingen dat er gesproken kan worden van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten of in het dagelijks werk. Van een verminderd verdienvermogen dan wel werken tot schade van de gezondheid is evenmin sprake.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Uit de hem ter beschikking staande medische gegevens heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen.

Aan de door appellante in bezwaar ingebrachte brief van de KNO-arts E.R. Thaler van 7 april 2005, kan de Raad niet het gewicht toekennen dat appellante eraan gehecht wil zien nu deze arts in die brief heeft aangegeven dat zij van oordeel is dat de chronische sinusitisklachten van appellante door haar psychische klachten worden verergerd en niet, zoals bij toepassing van de gelijkstellingsbepaling door verweerster vereist, als rechtstreeks gevolg van het omkomen van de vader kunnen worden gezien.

Het voorgaande betekent dat het beroep van appellante ongegrond verklaard moet worden.

Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.