Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX6454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2006
Datum publicatie
02-06-2006
Zaaknummer
05-5068 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing periodieke WUV-uitkering. Met vervolging samenhangende psychische klachten hebben niet geleid tot een verminderd functioneren van betrokkene ten opzichte van leeftijdgenoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5068 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 18 mei 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 30 juni 2005, kenmerk JZ/O70/2005 ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006. Daar heeft appellante zich doen vertegenwoordigen door haar echtgenoot [naam echtgenoot] en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van verweerster van 19 november 2002 is appellante erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Bij genoemd besluit heeft verweerster in navolging van haar geneeskundig adviseur het standpunt ingenomen dat de bij appellante aanwezige psychische klachten in verband met de vervolging staan en dat haar darmklachten en rugklachten duidelijk uit andere oorzaken dan de vervolging zijn ontstaan. Een door appellante aangevraagde periodieke uitkering heeft verweerster niet toegekend omdat de bij appellante aanwezige, met de vervolging samenhangende psychische klachten niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten. Een namens appellante tegen dit besluit gemaakt bezwaar is vervolgens ingetrokken, waardoor dit besluit rechtens verbindend is geworden.

Bij schrijven van 22 maart 2004 is namens appellante verzocht om herziening van voornoemd besluit. Daartoe is aangevoerd dat de darmklachten van appellante niet duidelijk uit andere oorzaken dan de vervolging zijn voort gekomen en dat bij haar sprake is van invalidering ten gevolge van deze darmklachten.

Bij besluit van 18 januari 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster het verzoek om herziening afgewezen op de grond dat er geen nieuwe feiten of gegevens beschikbaar zijn gekomen, waaruit zou blijken dat haar eerdere oordeel niet juist is geweest.

Appellante kan zich niet verenigen met het door verweerster ingenomen standpunt omtrent de causaliteit van haar darmklachten.

De Raad overweegt als volgt.

Naar uit het voorgaande blijkt, heeft verweerster eerder geoordeeld dat de bij appellante aanwezige darmklachten met de vervolging geen verband houden. Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat aan verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt en de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek dan wel in bezwaar feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten zien dit besluit te herzien.

Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. Uit het aan verweersters besluit van 18 januari 2005 ten grondslag liggende advies van de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad komt naar voren dat een éénduidige diagnose met betrekking tot de darmklachten van appellante niet is gesteld, mede omdat objectieve gegevens ontbreken van een in de jaren vijftig plaats gehad hebbende operatie, waarbij een groot deel van het colon is verwijderd, en de daarbij gestelde diagnose. Zoals door de geneeskundig adviseur is aangegeven zijn er diverse mogelijke diagnosen voor de bij appellante aanwezige darmklachten die door haar zelf als polyposis coli zijn aangeduid. Deze oorzaken zijn, zoals door de geneeskundig adviseur gemotiveerd is aangegeven, niet met de vervolgingsomstandigheden in verband te brengen.

Namens appellante is bij haar onderhavige herzieningsverzoek gesteld dat uit bij appellante verricht erfelijkheidsonderzoek is gebleken dat bij haar geen sprake is van een erfelijke aanleg voor diverse vormen van darmpoliepen. De Raad stelt evenwel vast dat op grond van de nieuw ingebrachte gegevens een éénduidige diagnose nog immer niet is gesteld. Het feit dat een erfelijke aanleg voor de darmklachten op bepaalde punten is uitgesloten, impliceert naar het oordeel van de Raad niet dat deze darmklachten thans door verweerster wel als causaal aanvaard zouden moeten worden.

Het bestreden besluit kan de door de Raad aan te leggen terughoudende toetsing doorstaan.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.