Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX6452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2006
Datum publicatie
02-06-2006
Zaaknummer
05-4622 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing WUBO-uitkering. Omdat bij betrokkene aanwezige psychische klachten voornamelijk hun oorsprong vinden in constitutionele factoren en nauwelijks verband houden met het ondervonden oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4622 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 18 mei 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 29 juni 2005, kenmerk JZ/I/70/2005, door verweerster te haren aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2006. Aldaar is namens appellante verschenen

mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft verweerster bij, na bezwaar genomen, besluit van 29 november 2002 aanvaard dat appellante, geboren in 1923, tijdens de zogenoemde Bersiap-periode in het voormalige Nederlands-Indiƫ getroffen is geweest door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet.

Overeenkomstig terzake uitgebracht medisch advies is toen niet aanvaard dat appellante als gevolg van het ondervonden oorlogsgeweld blijvend invalide is geworden. Om die reden werd de voorliggende aanvraag van appellante van mei 2001 om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering ingevolge de Wet afgewezen.

In oktober 2004 heeft appellante zich wederom gewend tot verweerster met een verzoek om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering ingevolge de Wet. Ter ondersteuning hiervan is door appellante aangevoerd - kort samengevat - dat haar psychische klachten thans in veel ernstiger mate tot uiting komen en tot een sociaal isolement hebben geleid.

Verweerster heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 14 december 2004 en deze afwijzing na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het nu bestreden besluit. Hiertoe is bij het bestreden besluit overwogen - samengevat - dat de thans bij appellante aanwezige psychische klachten voornamelijk hun oorsprong vinden in constitutionele factoren en nauwelijks verband houden met het ondervonden oorlogsgeweld.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de gedingstukken is de in het bestreden besluit neergelegde zienswijze van verweerster in overeenstemming met in bezwaar door verweersters geneeskundig adviseur A.J. Maas, arts, uitgebrachte medische adviezen. Deze adviezen berusten vooral op de resultaten van een op verzoek van verweerster door de arts N.F. Vogel ingesteld medisch onderzoek van appellante. In deze adviezen is, overeenkomstig het door de arts Vogel uitgebrachte rapport, geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een waanstoornis van het gemengde type, waarbij de uit de oorlogservaringen voortvloeiende, geringe, angstgevoelens geen rol van betekenis spelen. Een dergelijke psychotische stoornis ontstaat, aldus de adviezen, niet door de levensbedreigende situaties die appellante tijdens de Bersiap-periode heeft meegemaakt maar vindt zijn oorsprong in constitutionele factoren. Voorts is aangegeven dat een, namens appellante wenselijk geachte, psychiatrische expertise al daarom niet kan plaatsvinden omdat appellante zelf deze mogelijkheid uitdrukkelijk heeft uitgesloten.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd.

Uit de ter beschikking staande medische gegevens is de Raad niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseur, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van met de oorlogservaringen verband houdend psychisch letsel. Daarbij laat de Raad ook wegen dat appellante zich in verband met de gestelde psychische klachten nimmer onder medische behandeling heeft gesteld, zodat geen gegevens uit de zogenoemde behandelende sector beschikbaar zijn. Ook overigens is namens appellante niet enig medisch gegeven ingebracht ter bestrijding van de uitvoerig gemotiveerde bevindingen van de arts Vogel, zoals neergelegd in zijn rapport.

Onder deze omstandigheden ziet de Raad - nog daargelaten of appellante aan een psychiatrisch onderzoek had willen medewerken - ook geen grondslag voor het, namens appellante nog bepleite, oordeel dat verweerster ten onrechte een psychiatrische expertise achterwege heeft gelaten.

Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en W.D.M. van Diepenbeek als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.