Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX6392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2006
Datum publicatie
31-05-2006
Zaaknummer
04-2735 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waarschuwingsbrief is niet aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Waarschuwing is sturingsmiddel in de interne verhoudingen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/169
JB 2006/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2735 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de algemeen directeur van de Dienst [naam dienst] Amsterdam van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2004, 02/1206 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 18 mei 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E. Hoekstra, werkzaam bij de ABVAKABO FNV, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.B. Groot Antink en mr. A.A. Boes-Kouwenhoven, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is niet verschenen, zoals tevoren was gemeld.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is werkzaam als [naam functie] bij de Dienst [naam dienst] Amsterdam. Nadat de leidinggevende van betrokkene meerdere klachten over het optreden van betrokkene had ontvangen, heeft appellant in een brief van

20 december 2001 met betrekking tot die klachten het volgende meegedeeld:

“Ik verzoek u dringend zich in het vervolg te onthouden van gedrag en uitingen die vergaande irritaties in uw werkomgeving opwekken en als beledigend worden ervaren door medewerkers en externe relaties van [naam dienst]. Van een [naam functie] verwacht ik dat hij zijn boodschappen overbrengt op een voor zijn omgeving acceptabele wijze. U schiet daarin tekort. U dient deze brief dan ook op te vatten als een waarschuwing.”

1.2. Bij besluit van 12 februari 2002 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de brief van 20 december 2001 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze brief niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch als een handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb.

2. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt. Daartoe heeft de rechtbank kort gezegd overwogen dat de waarschuwingsbrief niet louter als een organisatorisch sturingsmiddel is aan te merken, nu appellant de bedoeling heeft die waarschuwing in een voorkomend geval te betrekken bij een toekomstige beoordeling van het functioneren van betrokkene. De waarschuwing komt dan ook zelfstandige rechtspositionele betekenis toe en is als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb aan te merken. Verder is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank in strijd met

artikel 10:3, derde lid, van de Abw genomen, nu appellant niet bevoegd was op het bezwaar tegen een door hem krachtens mandaat genomen besluit te beslissen.

3. Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat geen sprake is van een in mandaat genomen besluit. De instructies die directeuren van diensten van de gemeente Amsterdam geven over de werkwijze die personeelsleden van hun diensttak bij de uitoefening van hun functie in acht behoren te nemen, worden zelfstandig door hen gegeven. Dergelijke instructies vallen niet onder het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) en hebben geen rechtspositioneel karakter. De waarschuwingsbrief is volgens appellant niet aan te merken als een in mandaat genomen rechtspositioneel besluit. Appellant stelt zich dan ook op het standpunt dat hij bevoegd was te beslissen op het bezwaar van betrokkene.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Met betrekking tot het besluitkarakter van de waarschuwing stelt de Raad eerst vast dat een waarschuwing als onder punt 1.1. weergegeven geen wijziging brengt in de rechtspositie van degene die wordt gewaarschuwd. Gelet op de aard van de waarschuwing en het feit de waarschuwing betrokkene niet in enig rechtspositioneel belang treft, dient de onderhavige waarschuwing als een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen te worden aangemerkt. Tegen het hanteren van een dergelijk sturingsmiddel kan naar vaste jurisprudentie, nader aangescherpt door de Raad in zijn uitspraak van 17 maart 2005 (LJN AT3554, TAR 2005, 82), geen rechtsmiddel worden aangewend. Dit laatste geldt ook als aan een afkeurend bericht aan de ambtenaar al dan niet een laatste waarschuwing wordt verbonden of als de mededeling wordt gedaan dat een afschrift zal worden opgeborgen in het personeelsdossier.

4.2. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het schrijven van 20 december 2001 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, noch als een andere handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb, zodat het niet vatbaar was voor bezwaar en beroep. Dit brengt met zich mee dat appellant het bezwaar van betrokkene tegen de brief van 20 december 2001 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.3. Het vorenstaande betekent tevens dat geen sprake is van een door appellant in mandaat genomen besluit. Met appellant is de Raad dan ook van oordeel dat bij het nemen van het bestreden besluit niet gehandeld is in strijd met

artikel 10:3 van de Awb. Gelet op het bepaalde in artikel 6:4 van de Awb is appellant het bevoegde bestuursorgaan om te beslissen op het bezwaar van betrokkene.

5. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het door betrokkene bij de rechtbank ingestelde beroep moet ongegrond worden verklaard.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) O.C. Boute.