Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX6263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2006
Datum publicatie
30-05-2006
Zaaknummer
04/4973 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Geen reparatie pensioenknip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/120

Uitspraak

04/4973 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Minister van Justitie (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 20 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Lamme, juridisch adviseur te Bussum, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 augustus 2004, kenmerk 5302275/804 (hierna: bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Kuijken, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 1 september 1965 bij verweerder in dienst getreden. Als zodanig was hij laatstelijk werkzaam als senior gerechtssecretaris bij het kantongerecht [plaatsnaam], tevens rechter-plaatsvervanger in de rechtbank [plaatsnaam]. Bij koninklijk besluit van 25 februari 1994 is hij met ingang van 3 maart 1994 benoemd tot rechter in die rechtbank.

1.2. Bij brief van 27 mei 2002 heeft appellant verzocht om reparatie van de pensioenknip die is opgetreden als gevolg van zijn benoeming tot rechter. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 20 juni 2002 en dit na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Vast staat dat de bezoldiging van appellant als rechter zoveel hoger was dan voorheen dat sprake was van een verhoging van de berekeningsgrondslag van zijn pensioen met meer dan 25%. Op grond daarvan is bij de berekening van de door appellant opgebouwde pensioenvooruitzichten de zogeheten pensioenknip toegepast. Tussen partijen is niet in geschil dat dit overeenkomstig de geldende voorschriften is geschied.

2.2. Deze pensioenknip houdt - kort gezegd - in dat de pensioenopbouw van appellant over de jaren dat hij als gerechtsambtenaar werkzaam was niet wordt gebaseerd op de (hoge) berekeningsgrondslag van de bezoldiging als rechter, maar op de (lagere) berekeningsgrondslag van de bezoldiging als gerechtssecretaris. Daardoor ontstaan twee afzonderlijke dienstlijnen in plaats van één doorgaande lijn. Deze knip had ten doel een zekere matiging te verkrijgen op het destijds aan de pensioenregeling ten grondslag liggende stelsel van het eindloonpensioen. Sedert 1 juli 1986 bestaat de mogelijkheid de knip toe te passen bij een verhoging van de berekeningsgrondslag van meer dan 25%. Voordien vond pas een knip plaats bij een verhoging met 100%.

2.3. Bij gelegenheid van de privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP) per 1 januari 1996 werd aan de deelnemers van het pensioenfonds opgave gedaan van de opgebouwde pensioenvooruitzichten. Door die opgave werd voor veel betrokkenen de toepassing van de pensioenknip voor het eerst duidelijk. Doordat het loongebouw voor de rechterlijke macht tot 1 januari 1994 betrekkelijk weinig glijdende salarisschalen kende, maar veelal uitging van vaste salarisbedragen (de zogenoemde fixa), vonden bij een benoeming in een hogere functie indertijd regelmatig dusdanige salarissprongen plaats, dat een pensioenknip het gevolg was. Verweerder was zich daarvan destijds niet bewust, en de betrokkenen veelal ook niet.

2.4. Eind jaren negentig heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) met verweerder onderhandeld over een voorziening voor de gevolgen van de toepassing van de pensioenknip voor leden van de rechterlijke macht. Uiteindelijk heeft verweerder in 2001 besloten zo'n voorziening te treffen. Daartoe werd met de Stichting Pensioenfonds ABP een overeenkomst gesloten ter reparatie van de negatieve gevolgen van de pensioenknip, waartoe verweerder de benodigde gelden heeft gefourneerd. De voor-ziening is alleen getroffen voor die rechterlijke ambtenaren die in de periode van 1 juli 1986 tot en met 1 januari 1994 één of meer pensioenknippen hadden opgelopen als rechtstreeks gevolg van een verhoging van de berekeningsgrondslag van hun pensioen met meer dan 25% in verband met een carrièrestap binnen hun loopbaan als rechterlijk ambtenaar. Pensioenknippen die het rechtstreeks gevolg waren van het toetreden tot de rechterlijke macht, wenste verweerder niet te repareren.

2.5. Bij aan partijen bekende uitspraken van 22 januari 2004 in andere geschillen (TAR 2004, 50; LJN AO2896, AO2906 en AO4867) heeft de Raad overwogen dat, nu rechtspositionele bepalingen terzake ontbreken, verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat hem een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt bij het begrenzen van de doelgroep, van wie de pensioenknip wordt gerepareerd. De daartoe door verweerder gehanteerde uitgangspunten werden door de Raad op zichzelf niet onredelijk geacht. Aan verweerder kan niet de bevoegdheid worden ontzegd ten aanzien van degenen voor wie hij bij het optreden van de pensioenknip reeds werkgeversverantwoordelijkheid droeg een gunstiger regeling in het leven te roepen dan voor degenen voor wie hij die verantwoordelijkheid niet droeg. Verweerder mocht de doelgroep redelijkerwijs beperken tot degenen die reeds in dienst waren en bij wie zich derhalve de gevolgen van de opzet van het loongebouw, zoals dat voor de rechterlijke macht van kracht was, in volle omvang deden gelden. Voorts overwoog de Raad dat voor verweerder ten tijde hier van belang niet een algemene verplichting bestond om te waarschuwen voor het eventuele optreden van een pensioenknip bij een salarissprong, zodat verweerder ook niet uit dien hoofde tot reparatie buiten de doelgroep gehouden was.

2.5.1. In hetgeen door appellant is aangevoerd, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om over het vorenstaande thans anders te oordelen.

2.6. De uitspraken van 22 januari 2004 hadden betrekking op twee voormalige belastingambtenaren en een voormalig universitair docent, die van buitenaf tot de rechterlijke macht toetraden. Het geval van appellant verschilt daarvan in zoverre, dat hij als gerechtssecretaris reeds - in zekere mate - onder het gezag en de werkgeversverantwoordelijkheid van verweerder viel alvorens de overstap naar de rechterlijke macht te maken. Anders dan appellant, acht de Raad dit verschil echter niet van doorslaggevende betekenis. Reeds uit de aard van de functie vloeit voort dat een rechterlijk ambtenaar een wezenlijk andere rechtspositie heeft dan een (senior) gerechtssecretaris. Dit onderscheid komt mede tot uiting in de onderling uiteenlopende rechtspositionele regelingen. Voldoende aannemelijk is geworden dat de pensioenknip van appellant te vermijden zou zijn geweest indien hij zich destijds had gerealiseerd dat deze dreigde. Dat verweerder hem daarvoor had moeten waarschuwen, kan niet worden staande gehouden, ook niet indien in aanmerking wordt genomen dat verweerder jegens appellant reeds vóór diens overstap de rol van werkgever vervulde.

2.7. Appellant heeft een beroep gedaan op de brief van verweerder van 17 maart 1994, met als onderwerp "ambtenaarschap in de zin van de ABP-wet", welke brief hem in verband met zijn functiewijziging per 3 maart 1994 is toegezonden. In deze brief is uiteengezet dat, vanwege de functiewijziging, in het geautomatiseerde salarisbestand de zogeheten code "relatiegroep" diende te worden gewijzigd en dat dit alleen mogelijk was door de betrokkene uit het bestand te voeren en opnieuw in te voeren. Dit betekende dat appellant een afzonderlijk verzoek zou ontvangen om in verband met zijn "ontslag" een nieuw formulier ziektekosten in te vullen en dat hem door het ABP een uittree- en een intreebevestiging zou worden gezonden, waarin melding zou worden gemaakt van "ontslag" en "wederintreding". De brief vervolgde: "Voor de goede orde wijs ik u er op dat het bovenvermelde geen effect heeft op uw pensioenaanspraken".

2.7.1. De Raad verstaat het betoog van appellant aldus, dat verweerder niet alleen heeft nagelaten voor het optreden van een pensioenknip te waarschuwen, maar zelfs bij hem het rechtens te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat van een pensioenknip geen sprake zou zijn, waardoor appellant van een nader onderzoek naar het mogelijk optreden van zo'n knip is afgehouden. Dit betoog kan niet slagen. De Raad is met verweerder van oordeel dat de aangehaalde zinsnede uit de brief van 17 maart 1994, gelet op de verwijzing naar "het bovenstaande", redelijkerwijs niet anders kan worden opgevat dan als een geruststellende verzekering dat de - allicht wat merkwaardig overkomende - administratieve verwerking van de functiewijziging op zichzelf niet tot enige pensioenbreuk zou leiden. Het gaat te ver om in die brief de garantie te lezen dat ook andere oorzaken, zoals een eventuele stijging van de berekeningsgrondslag met meer dan 25%, geen gevolgen voor de pensioenaanspraken van appellant zouden hebben. Daarbij acht de Raad mede van belang dat niet is gebleken dat appellant, voorafgaande aan de brief van 17 maart 1994, de kwestie van een pensioenknip of andere pensioenbreuk op enige wijze bij verweerder ter sprake had gebracht. Appellant heeft ter zitting juist aangegeven dat hij destijds helemaal niet aan de mogelijkheid van een pensioenknip heeft gedacht.

2.8. Tevens moet worden vastgesteld dat appellant zijn pensioenknip niet heeft opgelopen in de voor verweerder relevante periode van 1 juli 1986 tot en met 1 januari 1994, doch eerst per 3 maart 1994, toen zijn benoeming tot rechter inging. Ook in zoverre behoort hij niet tot de door verweerder omschreven doelgroep. De omstandigheid dat de nieuwe salarisstructuur eerst nadien is ingevoerd, met terugwerkende kracht tot 1 januari 1994, kan niet leiden tot het oordeel dat de pensioenknip toch geacht moet worden in de relevante periode te zijn ontstaan. Hetzelfde geldt voor de eerst ter zitting naar voren gebrachte omstandigheid dat appellant reeds in 1993 een opleidingsplaats bij de rechtbank [plaatsnaam] bezette. De Raad wijst erop dat appellant in dat jaar als "rechter in opleiding" geen bezoldiging ontving als rechterlijk ambtenaar doch als senior gerechtssecretaris.

2.9. Appellant heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft hij gewezen op het geval van de parketsecretaris E., die in 1990 is belast met de werkzaam-heden van plaatsvervangend officier van justitie en in 1991 tot officier van justitie is benoemd. Door deze laatste benoeming is E. rechterlijk ambtenaar geworden en heeft hij een pensioenknip opgelopen. Verweerder heeft, na bezwaar, alsnog tot reparatie van de pensioenknip van E. besloten, daartoe onder meer overwegende dat E. vanaf 1990 feitelijk en voltijds was belast met het samenstel van werkzaamheden van een (substituut) officier van justitie, zodat sprake is van een situatie die een zodanige gelijkenis vertoont met die van de doelgroep dat reeds om die reden de pensioenknip van E. voor gelijke behandeling in aanmerking komt.

2.9.1. Naar het oordeel van de Raad is de situatie van appellant echter niet op één lijn te stellen met die van E. Daarvoor is reeds beslissend dat - zoals onder 2.8. overwogen - de pensioenknip van E. is ontstaan in het voor verweerder relevante tijdvak en die van appellant pas nadien.

2.10. Ook overigens zijn geen (bijzondere) feiten of omstandigheden naar voren gekomen waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om appellant, hoewel niet tot de doelgroep behorende, toch voor reparatie van de pensioenknip in aanmerking te brengen.

2.11. De omstandigheid dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van de Adviescommissie ingevolge de Algemene wet bestuursrecht uiteenviel in een meerderheids- en een minderheidsstandpunt, brengt niet met zich dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Er kan redelijkerwijs geen twijfel aan bestaan dat en waarom de commissie in meerderheid het minderheidsstandpunt niet heeft gevolgd, noch ook dat verweerder het standpunt van de meerderheid heeft overgenomen.

2.12. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 april 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

Q.