Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX3867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
23-05-2006
Zaaknummer
04-5529 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering loonsuppletie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/168

Uitspraak

04/5529 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van bestuur van de Landbouw Universiteit Wageningen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 september 2004, reg.nr. 03/1704 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 27 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens betrokkene heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.W.G. van Orth, advocaat te Amsterdam, en door mr. K.I. Arts, werkzaam bij Deloitte Juridisch Adviseurs B.V. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.J. Blindenbach, kantoorgenoot van mr. Van Ham, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan betrokkene is als gevolg van ontslag uit zijn betrekking aan de [naam organisatie] ([organisatie]) met ingang van 1 juli 1996 een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) toegekend. Op 5 oktober 1998 is betrokkene in dienst getreden bij [werkgever 2] te [vestigingsplaats]. In verband hiermee is betrokkene met toepassing van artikel 38 van het BWOO met ingang van die datum loonsuppletie toegekend. Deze bedroeg van 5 oktober 1998 tot 1 april 2000 100% van het met inachtneming van artikel 38 van het BWOO vastgestelde bedrag aan loonsuppletie en vanaf die datum (tot uiterlijk 1 januari 2004) 90 % van dat bedrag. Op 31 mei 2003 is een einde gekomen aan het dienstverband met [werkgever 2]

1.2. Nadat uit bij de werkgever opgevraagde loonspecificaties was gebleken dat betrokkene vanaf 1 januari 1999 meer inkomsten had genoten dan waarvan appellant bij de vaststelling van de hoogte van de loonsuppletie was uitgegaan, heeft appellant bij primaire besluiten van 4 september 2002, 27 september 2002 en 18 december 2002 de hoogte van de suppletie nader vastgesteld en een bedrag van € 5.922,97 aan teveel betaalde loonsuppletie over de periode vanaf 1 januari 1999 van betrokkene teruggevorderd.

1.3. Bij het bestreden besluit van 23 juli 2003 zijn de bezwaren van betrokkene tegen die besluiten deels gegrond verklaard en is de hoogte van de loonsuppletie ten gunste van betrokkene bijgesteld. Als gevolg daarvan heeft appellant ook het bedrag dat betrokkene over de periode van 1 januari 1999 tot 31 mei 2003 ten onrechte aan loonsuppletie heeft ontvangen, herberekend en nader vastgesteld op € 3.898,10. Appellant vordert dit bedrag geheel van betrokkene terug. Volgens appellant had betrokkene, gelet op de in artikel 11 van het BWOO neergelegde verplichting, hem uit eigen beweging over de salaris-wijzigingen moeten informeren. Nu betrokkene dit heeft nagelaten is er door zijn toedoen teveel loonsuppletie betaald en kan appellant dat bedrag met toepassing van artikel 21, eerste lid, onder a, van het BWOO, tot vijf jaar na de dag van betaalbaarstelling terugvorderen.

2.1. De rechtbank is blijkens de aangevallen uitspraak van oordeel dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk heeft moeten zijn dat een loonsverhoging in zijn nieuwe betrekking van invloed was op het bedrag aan loonsuppletie waarop hij recht had. Op grond van het bepaalde in artikel 11 van het BWOO had in beginsel van betrokkene dan ook redelijkerwijs kunnen worden gevergd dat hij appellant op eigen initiatief op de hoogte stelde van veranderingen in zijn salaris. Wel had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van appellant gelegen om betrokkene te wijzen op zijn verplichting om wijzigingen van zijn salaris door te geven. Nu dit niet is gebeurd kan betrokkenes verzuim om veranderingen door te geven niet aangemerkt worden als een fout in de berekening van loonsuppletie die is terug te voeren op betrokkene. Dit houdt volgens de rechtbank in dat de in artikel 21 van het BWOO genoemde terugvorderingstermijn van vijf jaren niet van toepassing is.

2.2. Appellant bestrijdt in hoger beroep dat hij heeft nagelaten betrokkene op zijn verplichtingen te wijzen. Naar het oordeel van appellant was er wel degelijk sprake van toedoen, zodat hij gerechtigd was over de gehele in geding zijnde periode tot terugvordering over te gaan.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Op grond van de toepasselijke bepalingen kan een bestuursorgaan hetgeen aan een (gewezen) ambtenaar onverschuldigd is betaald in beginsel gedurende vijf jaren na de dag van uitbetaling terugvorderen indien de gemaakte fout door toedoen van de betrokkene is ontstaan. Volgens vaste jurisprudentie is daarvoor niet vereist dat er sprake is van kwade trouw of opzet, doch is het voldoende dat er onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt, dan wel dat de gemaakte fout de betrokkene anderszins kan worden toegerekend.

3.2. Met appellant en de rechtbank is de Raad van oordeel dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk heeft moeten zijn dat loonsverhogingen in zijn nieuwe betrekking van invloed waren op de hoogte van het toe te kennen bedrag aan loonsuppletie. Betrokkene was derhalve gehouden uit eigen beweging dan wel op verzoek mededeling van die loonsverhogingen te doen aan appellant. Aan die verplichting doet niet af dat die verhogingen naar hij stelt geen invloed hadden op het bedrag van de toegekende loonsuppletie, omdat hij ervan uitging dat zijn loonsverhogingen gelijke tred hielden met de salarisverhogingen waarop hij in zijn oude betrekking aanspraak zou hebben gehad. Dat oordeel komt immers toe aan appellant. De Raad merkt hierbij op dat het betrokkene niet kan zijn ontgaan dat het bedrag van de loonsuppletie wel enkele malen is verhoogd in verband met salarisverhogingen bij de [organisatie], maar zonder dat daarbij met wijzigingen in de nieuwe inkomsten rekening is gehouden.

3.3. Nu betrokkene heeft verzuimd appellant te informeren omtrent zijn loonsver-hogingen, moet worden gezegd dat er door toedoen van betrokkene teveel aan loonsuppletie is betaald zodat appellant gedurende vijf jaren tot terugvordering kon overgaan. De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat die termijn in dit geval niet van toepassing was, omdat appellant heeft nagelaten betrokkene te wijzen op zijn verplichting wijzigingen door te geven nu in het besluit van 5 januari 1999, waarbij betrokkene loonsuppletie is toegekend, uitdrukkelijk is opgenomen dat betrokkene verplicht is wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de loonsuppletie te melden.

3.4. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat appellant bevoegd was tot terugvordering van de teveel betaalde loonsuppletie over de periode 1 januari 1999 tot 31 mei 2003. De wijze waarop appellant van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt kan voorts de rechterlijke toetsing doorstaan. Het feit dat appellant niet eerder dan in 2002 tot het opvragen van loonspecificaties is overgegaan, kan niet afdoen aan de primaire verantwoordelijkheid van betrokkene zelf om aan zijn informatieplicht te voldoen.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep moet alsnog ongegrond worden verklaard.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K. J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2006.