Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX3863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
23-05-2006
Zaaknummer
05/3450 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verlenging dienstverband. Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos: door eigen toedoen geen passende arbeid behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3450 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 april 2005, 03/2996 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 april 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.H. Kuiper, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2006, waar appellant niet is verschenen, terwijl het Uwv zich heeft doen vertegenwoordigen door P.M.W. van der Helm, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Appellant is op 1 oktober 2002 als operator in dienst getreden bij [werkgever] (hierna: de werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 31 maart 2003 van rechtswege afliep.

2.3. Appellant heeft vervolgens een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 14 mei 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de uitkering met ingang van 1 april 2003 blijvend geheel wordt geweigerd, omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden doordat door zijn toedoen zijn contract niet is verlengd. Feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot verminderde verwijtbaarheid acht het Uwv niet aanwezig. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 22 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij zijn standpunt, dat appellant artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW heeft overtreden, gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, omdat dit op een onjuiste wettelijke grondslag berust. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat het Uwv dezelfde maatregel als in het bestreden besluit had kunnen en moeten opleggen wegens overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW. De rechtbank is van oordeel dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden, omdat zijn dienstverband vanwege zijn negatieve opstelling ten aanzien van de werkzaamheden en de werkplek niet is verlengd. De door appellant als onprettig ervaren werksfeer en de overige door hem aangevoerde omstandigheden brengen volgens de rechtbank niet mee dat contractverlenging in redelijkheid niet van hem kon worden verlangd.

4. In hoger beroep voert appellant aan dat het te ver voert hem van een negatieve opstelling te betichten. Volgens appellant is zijn contract niet verlengd, omdat gedurende de looptijd hiervan de verhouding met zijn werkgever verslechterde. Volgens appellant valt hem hiervan geen verwijt te maken. Appellant merkt in dit verband op dat sprake was van een slechte werksfeer, waarvoor hij als gevolg van problemen in de privé-sfeer extra gevoelig was, dat hij andere werkzaamheden moest verrichten dan hem waren opgedragen en dat zijn werkgever zijn gerechtvaardigde klachten hierover niet serieus nam.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW rust op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt.

5.2. Aan de dienstbetrekking van appellant is op 31 maart 2003 een einde gekomen door het van rechtswege expireren van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen kan in een dergelijk geval het intreden van de werkloosheid te wijten zijn aan het toedoen van de werknemer, wanneer het dienstverband zou zijn verlengd (en de werkloosheid dus niet zou zijn ingetreden) indien de werknemer zich niet zou hebben schuldig gemaakt aan handelen of nalaten dat tot die niet-verlenging heeft geleid en dat hem, vanuit het oogpunt van toepassing van de WW kan worden aangerekend.

5.3. In zijn brief van 3 februari 2003 heeft de werkgever vermeld dat appellant te kennen heeft gegeven dat de functie niet aan zijn verwachtingen voldeed en dit de reden is geweest om niet tot verlenging van het dienstverband over te gaan. Namens de werkgever is voorts op 6 mei 2003 telefonisch aan het Uwv meegedeeld dat appellant bij normaal functioneren zonder meer een verlenging van zijn arbeidsovereenkomst had kunnen krijgen, maar dat hiervan is afgezien nadat appellant op zijn ontslag had aangedrongen omdat het werk hem niet beviel en hij, ook na een indringend gesprek waarin hem te kennen was gegeven dat hij zijn opstelling moest wijzigen of anders zelf ontslag moest nemen, zijn ongenoegen over het werk is blijven herhalen. De Raad acht het op grond hiervan voldoende aannemelijk dat de werkgever de arbeidsovereenkomst met appellant zou hebben verlengd en de werkloosheid niet zou zijn ingetreden indien appellant zich niet bij herhaling had beklaagd over het werk, zijn houding na het voornoemde gesprek had gewijzigd en zich positief had opgesteld ten aanzien van de eventuele voortzetting van zijn contract.

5.4. De Raad ziet voorts met gedaagde en de rechtbank geen reden om aan te nemen dat het gedrag van appellant hem niet zou kunnen worden aangerekend. In de omstandigheden die door appellant zijn aangevoerd - de ‘kliekjes’ op het werk en zijn echtscheiding - acht de Raad die redenen in ieder geval niet gelegen, nu appellant onvoldoende duidelijk heeft gemaakt om welke reden die omstandigheden hem dwongen tot zijn gedrag of de door hem gemaakte keuzes. De Raad wijst er wat betreft nog op dat appellant het recht niet kan worden ontzegd om zijn werkgever aan te spreken op de door hem als slecht ervaren werksfeer, maar is van oordeel dat appellant daarin is doorgeslagen door zijn ongenoegen steeds opnieuw kenbaar te maken. Ook de omstandigheid dat appellant ander werk zou zijn opgedragen dan was overeengekomen, brengt naar het oordeel van de Raad niet mee dat voortzetting van die werkzaamheden redelijkerwijs niet van appellant kon worden gevergd, nu appellant blijkens het verslag van de hoorzitting, zelf te kennen heeft gegeven dat het probleem niet lag in de werkzaamheden maar in de werksfeer.

5.5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad, evenals de rechtbank, tot het oordeel dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en daarmee de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW niet is nagekomen. De Raad ziet in de voorhanden zijnde gegevens geen steun voor het oordeel dat het niet nakomen van deze verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten, zodat de WW-uitkering op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW terecht blijvend geheel is geweigerd.

6. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

7. Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht, is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder deze omstandigheden geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

SG

24/4